En opnieuw gaat de hoed rond in Gent ! Op zondagavond 13 April zal een groep dichters samen met één hoed zorgen voor wederom een onvoorspelbaar evenement. De spelregels zijn en blijven simpel: wie de hoed krijgt, draagt een gedicht voor, en geeft daarna de hoed aan een willekeurige andere dichter. Niemand weet kortom wanneer en zelfs óf ze zullen voordragen. Een volledig nieuw poëzieconcept ! Entree nu nog gratis. Nu nog wel.
Het drie dagen durende poëziefestival La Ville Perdue in de Tuin van Heden keert terug! Op 11 april wordt tijdens dit festival de film ‘Shi’ (Poetry) vertoond. En aan mij is de grote eer om deze film met een filmgedicht in te luiden. Lees meer
Ik loop met een vis door de stad. Het is een adoptievis. Iemand met een lekke vijver waar een reiger alle vis al uit gevangen had, trof de vis aan bij het legen. Heel de horrorwinter overleefd. De vis is dik. Een taaie rakker, kortom. De adoptievis overleeft misschien zelfs de vijver in mijn tuin dus nog wel.
Vanaf een terrasje roepen wat bekenden mijn naam. Ik zwaai en roep dat ik niet kan stoppen, dat ik een vis achterop mijn fiets heb. De terrasmensen kennen me en niets verbaast ze meer. Ik loop door.
Het verbaast me dat ik middenin de spitsdrukte de vis relatief veilig kan vervoeren. De stoep ligt schots en scheef dus het water klotst vervaarlijk. De vis lijkt zich om niks te bekommeren.
Ik zie de Grote Literaire Gast van mijn stad over straat lopen. Ik ken hem niet maar herken hem direct. Hij ziet mij maar met een halve blik. Nog geen half oog voor de gele emmer met klotsend water op mijn bagagedrager. Hij loopt het meest voor de hand liggende schrijverscafé binnen terwijl ik doorklots. Schrijvers die nieuwsgierig zijn, het is een uitstervende soort.
Wie écht het woord
wil vieren
Zet een grote hoop
in de fik
Woesj knetter knetter
blakeren en verwoesten
Uit de woesternij
kan dan eindelijk iets
Anders Lees meer
Ongeduldig wacht ik op een zonovergoten perron. Ik ontvlucht mijn thuisprovincie. Van binnenuit wordt die provincie veroverd door drank, trompetgeluiden en melige seksuele innuendo. Ik ben een te subtiele en lieve jongen om me aan andermans schouders vast te klampen. Het fijne is: weg van mijn stad zijn alle treinen stil. Iedereen stroomt toé, niet weg.
Het is zelfs zo stil dat halverwege de reis het enkel ik en de machinist nog maar zijn. Hij roept om of er iemand in de trein is. Ik loop naar een conducteurstelefoon en antwoord hem. Al snel hebben we een leuk gesprek. Hij wou vroeger racecoureur worden. Ik wou stuntman worden.
Ergens middenin een zonovergoten weiland staat een reeks coupés stil. Vijftig kilometer verderop zoeven we met de locomotief over de rails. Lachend en gillend. De dag van ons leven.