Vroeg opstaan is toch een beetje alsof je een soort ochtendplaneet bezoekt. De ochtendplaneet is een duistere, koude, onpersoonlijke wereld vol bedrukte gezichten. Ze zeggen niet veel en kijken strak, maar niet krachtig, voor zich uit. Een beetje zoals oorlogsgevangenen kijken in films. Lees meer
Omdat mijn kat veel binnen moet blijven zo op het eind van het jaar, maak ik me soms bezorgd of ze zich niet verveelt. Ze moet binnenblijven omdat ik de deur niet voor haar openlaat. Het wordt dan te koud binnen.
Bovendien worden er volop vuurwerkbommen afgestoken in de buurt. Die worden afgestoken wegens Nieuwjaar. Nieuwjaar duurt nog twee weken. Ik denk dat de vuurbomafstekers geen kalender hebben. Al een dag zoek ik naar de Giro 555-campagne om aan te doneren zodat vuurwerkafstekers eindelijk genoeg geld hebben voor een kalender. Lees meer
Doordringend kijken de ogen van mijn moeke in de mijne. Ik hou vol dat het goed gaat. “Eindelijk weer, moeke, na al die ellende. Het gaat écht alweer een heel stuk beter.” Ze blijft me aankijken. Zoals een kind dat voor het eerst hoort dat spruitjes heel goed voor je zijn. Die blik van ‘ja hoor, en koeien kunnen vliegen zeker’.
Maar ik houd voet bij stuk. “Ik heb werk, moeke, en ik ga er ook gewoon echt geld voor betaald krijgen. Niet zoals die dichtoptredens en de columns en andere dingen. Daar kreeg ik af en toe wel eens een biertje voor, maar voor dit werk krijg ik dus echt geld. Van dat geld dat in de werkelijkheid geldig is.” Die ongelovige blik is wat verzacht, de verkeerde kant op. Ze kijkt nu ronduit bezorgd. Lees meer
Er waren tijden dat ik nu zou denken dat ik leef. Dat het door mijn kop zou schieten. “Zie je wel,” zou ik denken, “ik lééf, verdomme !” Misschien waren die tijden er nooit écht, maar in mijn herinnering waren ze er. Dat ik, zoals nu, gehurkt, draden uit mijn mond, proestend en hoestend boven de WC-bril, vervuld kon raken van de zin van het bestaan.
Nu niet. Op dit moment wil ik enkel slapen. En daar komt godver alwéér een golf aan, voel ik, en ik zet me schrap. Jawel: nog een stuk avondmaaltijd perst zich antiperistaltisch een baan mijn lijf uit. Kutzooi, is het enige dat ik denk. En dat het verdomme lang duurt. Mijn hele nacht is al zo goed als naar de klote. Lees meer
In de eerste baan die ik, op een onverstandig moment, ‘serieus’ noemde, had ik een collega die elke dag dezelfde man tegenkwam. Hij heen, de ander weer. Ze zwaaiden en zeiden hoi. Elke ochtend: “Hoi.” Meer niet. Ze wisten elkaars naam niet, waar de ander heen ging, niets. En ze groetten elkaar zo al ruim vijf jaar. Mijn collega legde eens uit: “Dat is mijn hoi-kennis.”
Ik werk inmiddels weer in dezelfde stad als waar dit plaatsvond. Ik wil ook een hoi-kennis. Maar daarvoor is alles nog te pril, blijkbaar. Wel heb ik twee treinvriendjes. Die moeten ook, op ongeveer dezelfde tijdstippen als ik, van dezelfde stad vertrekken en in dezelfde stad uitstappen. Lees meer
Wat me echt machtig mooi lijkt: dat ik wakker word, en plotseling ben ik een heidense feestdag. Op de kalender staat het: René van Densen. Iedereen heeft vrij met René van Densen, uiteraard. Het is een officiële feestdag in België. Lees meer
Plotseling stonden de stokpaardjes stokstijf stil. Ze steigerden niet langer tegen standpunten die hen tegenstonden. Neen, stram en strak stonden de stokpaardjes en snoefden nog een ietwat na. Toen viel ook hun snoeven stil. Daar begon de vreemdste dag in de debatweide. Lees meer
Door mijn vingers kijk ik toe, vanaf de bar. Wat verschrikkelijk: ook déze act is bizar goed. Ik voel paniek. De ene na de andere performance is geweldig en ik moet helemaal op het eind nog. Waarom zeg ik altijd ja op deze dingen ? Ik giet mijn biertje in mijn keel en wil weg, weg.
De bus naar huis rijdt niet meer. Dus dat is alvast niet handig. Ik wenk de barman om me nog maar een biertje te geven. De trein, dat zou nog kunnen. De trein naar die andere stad, dan toch. Naar mijn eigenlijke thuis. Maar bovenal: weg hier, wég. Een volgende dichter treedt op en ik luister. En jawel hoor: ook alweer goed. Godverdomme. Lees meer
De Opperpater kijkt voor zich uit, naar de TV. Met een blik waarvan je je moet afvragen hoeveel hij registreert. In een stabiel tempo drinkt hij zijn halveliter bier leeg en rookt hij zijn sigaret. Blik aan lippen, filter aan lippen. En nog eens. Zoals een ander gewichtheft. Of de Vierdaagse loopt. Links, rechts, links, rechts.
Dan zwaait zijn oog naar zijn linker ooghoek. Rechtstreeks kijkt de Opperpater mij aan. Ik zit te staren en ben betrapt. Hij kijkt als een wild dier. Een wild dier dat nog niet zeker weet of je prooi, vriend of bedreiging bent. Een instinctieve respons. Hij draait zijn hoofd nog niet, maar hij heeft gezien dat ik zit te kijken. Als ik blijf kijken, zal hij zijn hoofd wel draaien en er iets van zeggen. Lees meer
De ene dag krioelt mijn kop van de ideeën. Maar natuurlijk heb je ook de ochtenden dat het beeldscherm mij afwachtend aanstaart. Zeg maar gerust: de andere dag. Een reusachtige lege boel is het dan in mijn hoofd. Je zou er een knikker in kunnen werpen en genieten van het resonerende rollen. Af en toe met je hoofd schudden en daar gaan we weer. Lees meer