Het overkomt me ‘s avonds vaker de laatste tijd: ik sukkel pardoes in slaap. Het is maar een paar uur, maar knal, ik ben weg. Om daarna duffig te ontwaken, niet zelden rond het tijdstip dat ik eigenlijk naar bed had willen gaan. En natuurlijk blijf je dan toch nog even op. Wachten tot je weer moe bent.
Zo ontwikkelt zich een soort tweede dag. De eerste is tussen het ‘s ochtends ontwaken en die tuk in, de tweede is tussen tuk en nachtrust. Van nature heb ik een nachtritme, maar al het hele jaar dwing ik mezelf tot een dagritme. Ik wil zo employabel mogelijk zijn. Ook al zijn er veel dagen waar dat vroege opstaan niets toevoegt. Ja, een ochtend die je kunt horen wegtikken. En een zonsopgang. Als je de tijd neemt ernaar te kijken.
De tweede dag breidt zich langzaam uit. Ook is het tukje onverbiddelijk. Ik vecht er soms wel eens tegen. Met alle macht. Dan rek ik het wakker zijn enkele seconden, soms minuten. Maar altijd: bam. Ik ben weg. Soms ben ik vertrokken terwijl ik er nog tegen vecht. Dan kom ik er twintig minuten, half uur later, vechtend weer uit. Eventjes. Met het gevoel van potver, toch in slaap gevallen. En even later: bam, weer weg.
Als een olievlek drijft de avonddag, met aan zijn rand de tuk, naar de overdagdag. Met duidelijk snode bedoelingen. Je schiet er toch niets mee op, fluistert de tuk in mijn oor. Dat vroege opstaan is nergens voor nodig. Je kunt alles ook later op de dag doen. Nee, nee, nee, verbijt ik mezelf. Binnenkort heb ik werk. Dan moeten we elke dag er weer vroeg uit. Binnenkort, binnenkort, sputtert de fluweelzacht verleidelijke tuk, dat beloof je al een jaar. Geef je er aan over. Steek over en blijf bij ons. Het is hier goed in avonddag.
Ik zet mijn wekker en dwing mezelf naar bed. Daar lig ik klaarwakker naar het plafond te staren. Ik heb geen slaap meer.

