Ze rent gillend over straat, met haar haar vol verantwoordelijkheid. Elk jaar is het verdomme weer raak. Met duizenden komen ze uit de lucht gevallen en kruipen op de stoeptegels, maar altijd lijken ze haar te moeten hebben. Of erger, haar haar. Het kruipt en kriebelt en krioelt en iekend slaat ze haar hand door de plukken. Weg, wég !
Ze zullen wel weer in zwermen de stratosfeer in geland zijn en vast horen bij de grote cirkel des levens, maar zij is wel iedere keer de pineut. En al helemaal met die gigantische krullenbos. Het is net of ze altijd specifiek in haar haar moeten landen. En jeuken dat die ondingen doen ! Ze krabt en mept en zwaait en rent, maar ze komt er niet van af.
Een stomme vent legde haar ooit uit dat het allemaal verschillende verantwoordelijkheden waren die op afzonderlijke momenten komen vallen, en dat zal allemaal wel. Maar elke keer zit heel haar haar vol. Alsof ze het niet al elke dag keer op keer uitborstelt, supervaak wast, netjes onderhoudt, vol met die troep. Of net daarom, zeker. Ze graait en trekt en gilt het midden op straat keihard uit. Geen hoge gil, een oerkreet, waar ruiten van rammelen. Haar handen in vuisten omlaag gebald, staat ze daar halfweg het zebrapad en schreeuwt de longen uit haar lijf. Ze wil ze wegschreeuwen, terug uit haar haar, terug de lucht in, het moet stoppen, dit kan toch niet zo, waarom zij. Waarom waarom WAAROM. Daarom, daarom brult ze. Hard. En het is net alsof haar longen erop zaten te wachten want ze blijft brullen en brullen en brullen. Tot heel de wereld scheurt.

