Het zijn twee woorden in een vreemde taal. Ze kennen hun betekenis niet, dus zoeken hoe ze in de zinnen passen. Misschien passen ze niet eens in dezelfde zin. Ik kan ze niet uitspreken, ik ken deze woorden niet.
Het koppel
Maar iets lijkt ze in een baan rond elkaar te houden. Het zijn rare woorden, ik kan niet uitleggen wat hun verband is. Maar als de woorden nabij elkaar in een tekst opduiken lijkt het net of ze met elkaar willen spelen. Alsof ze kwispelen bij elkaars aanblik. Dus ze zijn, op een geheel eigen wijze, een soort koppel.
De spoken
Ik ken de woorden niet, ik kan ze niet uitspreken, ik weet zelfs niet welke taal dit is. Naar hun inhoud is het gissen. Een definitie is er ongetwijfeld, maar onzichtbaar als een spook verstopt achter hun klanken. Maar ik zie ze ook in deze alinea weer opduiken en hoor hun fantoomidioom stil tussen de regels huilen.
De ommekeer
Maar dan, drie alinea’s later, staan ze andersom in een zin. En er gebeurt iets vreemds. Ik laat er mijn vingertop even zacht over strelen. Misschien zie ik het verkeerd en is één van de twee anders gespeld. Nee, ze zijn het echt. Maar op deze manier ogen ze heel anders. Net of de zin koud is geworden.
De verschijning
De hele tekst begint kleur en temperatuur te krijgen door die twee opvallende woorden. Ze dansen door een letterbrij en zijn geheel henzelf. Maar alles wordt anders als ze in een zinsconstructie naar elkaar lonken. Speelser, of juist stiller, melancholischer, ze maken een onleesbare tekst tot een verschijning van rood en blauw, van ril en zweet.
Het vooruitzicht
Ik blader nog een hoofdstuk vooruit, met ingehouden adem. De eerste pagina’s zie ik ze niet, maar het kan toch niet dat ze enkel in het vorige hoofdstuk gevangen zaten. Zonder hen zijn de letters zwart en pagina na pagina heb ik steeds minder zin om nog te proberen te doorgronden wat hier staat, wat hier gebeurt. Ik zak in de letterbrij als in het drijfzand uit mijn jeugdprogramma’s.
De verklaring
Het vorige hoofdstuk ging waarschijnlijk specifiek over die twee woorden. En nu zijn we bij een ander onderwerp. Dat vermoed ik toch. Ik maak aantekeningen en zet er tussenkopjes bij, zodat ik er nog wijs uit kan. Mijn aantekeningen worden lijvig. Dat betekent niet dat ik er grip op krijg. Eigenlijk schrijf ik meer vraagtekens op dan verklaringen.
De twijfel
Misschien zag ik het wel helemaal verkeerd. Waren die twee woorden gewoon enkel in mijn blik even leuk samen, maar houden verder helemaal geen verband. Ik wil terugbladeren, maar iets weerhoudt me. De twijfel voelt ook comfortabel. Sterker, misschien is het juist goed dat ik het volledig mis heb. Wat heb je immers aan twee van die rond elkaar dansende woorden in zo’n tekst ?
De doorbraak
Maar daar, op de volgende pagina, daar duiken ze plots weer op en mijn hart slaat een slagje over. Ik kan eigenlijk wel juichen. Ik wil met ze meedansen, meekwispelen, meedraaien door de tekst. Als lezer wil ik het derde woord zijn, ik duw de andere woorden opzij en dring me op, hallo, daar ben ik, ik ben ook een mooi woord, lees mij, ik sta hier tussen jullie, nu kan het feest beginnen !
Het einde
Zachtjes slaat het boek dicht. De lezer is verdwenen. Stilte valt. Een holle wind zingt door het kasteel.

