Oh dat is wel leuk, dus jij heet ook Jan. Dat is een grappig toeval. Ik heb ook een oom die Jan heet. En op de universiteit was de medebewoner van mijn studentenblokje ook een Jan. En mijn ouders hebben een beste vriend die Jan heet. En een minder goede vriend die Jan heet. En een klusjesman die Jan heet. Die zijn baas heet trouwens ook Jan. Zijn vrouw ? Je raadt het nooit: Janneke.
Een van mijn leraren op de basisschool heette ook Jan trouwens. Die was de vervanger van de leraar daarvoor die ook Jan heette. En op het middelbaar kreeg ik ook les van een Jan. Nee, wacht, even tellen, dertien. Dertien Jannen. Jan, Jan. Nee, wacht nog even, ik weet er nog meer, momentje. De concierge heette ook zo. Op de universiteit had ik maar drie Jannen maar ik zat daar ook maar drie maanden. Dat was te kort. Voor een goed Jannenquotum.
Mijn vorige buurman heet trouwens ook Jan. Zijn kat heette geen Jan, maar ik ben de naam van dat beest vergeten. Hij speelde in een bandje. Alle leden heetten Jan. Nee, ze noemden zichzelf niet Jan als band. Had heel goed gekund. Super origineel. Maar daar dacht Jan niet aan. Jan ook niet, noch Jan eigenlijk. En Jan kon het al helemaal niks schelen, die wou gewoon drummen. Soms kon je Jan en Jan amper horen boven Jan uit. Dat je denkt, hebben Jan en Jan nu echt Jan of Jan nodig, ze kunnen het ook goed af met alleen Jan en Jan eigenlijk.
Nee nog heel even, dat werk wacht wel, man, Jan. Mijn opa was een Johan, dat is meer een Han dan een Jan. Maar mijn fietsenmaker heet ook Jan. En de baas van mijn stamcafé. Daar zit het trouwens vol met Jannen. Je moet ook eens komen, op zondag of zo. Dan kun je kennismaken met Jan, en Jan, en Jan moet je ook leren kennen, en Jan, en – oh je moet je telefoon opnemen, oke, we praten straks nog even verder. Dan vertel ik je nog over hoe Jan oorspronkelijk Jan heeft ontmoet ! Daar had je echt bij moeten zijn.

