Sinds ik besloot mijn buik als huisdier te zien, is het heel gezellig op mijn zetel.
Ik trek de dekens tot net onder mijn lip. Er ligt geen vrouw naar mijn borsthaar te staren terwijl haar vingers niet er nog meer krulletjes in draaien. Er snurkt geen kat vlakbij mijn hoofd. Ik ben niet belachelijk grote glazen schuimgeel aan het klinken met vrienden wetende dat ik me morgenvroeg misschien wel telefonisch ziek ga moeten melden. Of rechtstreeks na een all-nighter vanuit een striptent de trein in aan het haasten naar mijn werkplek, de plastic muntjes nog rammelend in mijn broekzak. Ik ben jouw nummer niet aan het bellen waarna je toch maar weer de deur opent terwijl ik dronken aan kom waggelen. Ik heb vanavond niet de wereldproblemen opgelost en daarna om het te vieren zoveel gedronken dat ik vergeten ben hoe. Ook ben ik niet van mijn sokken geblazen door een geweldige muzikant of een poëzievoordracht waar ik nog dagen kapot van ga zijn. Er ligt geen zetel van vrienden onder mij de kwijl op te vangen na een uit de hand gelopen verjaardagsfeestje. Mijn spullen zitten in een rugzak die gewoon mee thuis is beland, ik heb aan geen enkele cafébel getrokken en In perfect valse harmonie een volstrekt achterlijk nummer meebrullen doen jullie ook al een tijd zonder mij. En als ik nu iets zou opschrijven omdat ik het geniaal vind, zal ik het morgen gewoon nog kunnen lezen. Er waren geen meisjesogen om kapotverliefd op te worden, niemand vertelde me nieuwe moppen, ik ga geen mysterieuze telefoonnummers in mijn portemonnee terugvinden. Plassen doe ik misschien vannacht nog wél maar alles zal gewoon in de pot gaan. Ik vind er zelf zo ook geen ene fuk meer aan nee, aan dat volwassentje spelen. Eigenlijk vond ik mezelf veel leuker toen ik nog dronk. Maar dat ligt niet aan de drank, want die mis ik niet. Nu ik niet meer drink, rijd ik alle alcoholcontroles af. Ik weiger daar dan te blazen. Ik schreef dat gisteravond op en vond het geniaal.
Ik kon het nog lezen

