Het was geen klein verlangen. De jongeman zuchtte. Zijn zicht duwde zijn pupillen zo ver mogelijk vooruit. Maar met al dat kijken en verlangen kwam hij geen millimeter nader. En het gras was er nochtans zo groen. Hij snakte. Zeg maar gerust dat zijn verlangen brobdingnagische omvangen bereikte. Toen hield hij het niet meer. Hij sprong uit zijn raam. In zijn boot. En vaarde naar de overkant.

Eindelijk ! Hier was het dan. Die vrijheid. Dat geluk. Die schoonheid. Of hee. Misschien toch niet. Onwennige stappen. Hm. Nee. Niet wat hij verwacht had. Hij keek rond. Gek. Het leek toch hier. Hij keek om. Ja, heb ik dat, denkt hij. Nu is het weer dáár. Hét, het zat in zijn venster en lachte hem toe. Heel dat eind voor niks gevaren. Hij sprong in de boot en vaarde terug. Zo. Nu zou het hem niet meer ontsnappen. Dacht hij. Tot hij het roepen van de overkant hoorde. Joehoe, riep het. Joehoe, ik ben hier. De jongeman knarsetandde. Boot terug te water. Zenuwachtige kabbeltjes achter hem aan. Haastig roeien. Hét, het was glibberig en snel. Zo had je hét, zo was hét weer elders. Voet. Wal. Niks hoor. Joehoe, klonk het alweer over het water. Zucht. Boot terug. Kabbeltjes.

Heen en weer, zo bleef het gaan met de jeugdige geest. Dagenlang. Wekenlang. Honger noch weergoden kregen grip op de volharding. Hij zou hét pakken. Hét hoorde bij hém. Roeiend werd hij oud. Behalve van binnen. Binnenin zijn borst kreeg hij vooral het heen-en-weer. Maar gelukkig de jeugdige heen-en-weer. Daar is geen remedie tegen nodig.

Share Button

Door Rene van Densen

Schrijver, dichter en mafkees René van Densen publiceert niet alleen op internet. Er zijn ook boekjes van hem te koop in zeer gelimiteerde oplagen (en hij doet niet aan tweede drukken).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *