Ik ben een wolk
Ik ben een wolk. Ik drijf. De zon schijnt op mijn rug. Ik besta maar wat. Een collectie flarden. De wind rukt aan me en ik laat me weer een beetje verwaaien. Wat mijn koers is, blijft onduidelijk. Maar komen zullen we er.
Lees meer
Ik ben een wolk. Ik drijf. De zon schijnt op mijn rug. Ik besta maar wat. Een collectie flarden. De wind rukt aan me en ik laat me weer een beetje verwaaien. Wat mijn koers is, blijft onduidelijk. Maar komen zullen we er.
Lees meer
Ik ben een schrijver. Schrijvers schrijven. Dat is me toch ooit verteld. Dus, ongeveer sinds de start van deze site, verschijnen hier dagelijks verhaaltjes. Die ik geschreven heb. Voor u. U mag ze lezen. Zomaar. En de volgende dag weer een. Ik schrijf stevig door. Vraag ik niks voor terug. U mag reageren. Hoeft niet. U kunt er ook voor kiezen om ze niet te lezen. Of andere verhaaltjes te gaan lezen. Mag gewoon ! Sterker, kan ik u een paar schrijvers aanraden ?
“Dan zien jullie er nog goed uit,” was het dubieuze compliment dat ons ten deel viel. Halverwege. Halfweg, zoals de zuiderburen zeggen. En wat is er dan beter he, tja. Het gaat om hetzelfde woord, en ‘onze’ vervoeging klinkt enorm ouderwets. Lekker simpel en modern: halfweg. Half-weg. Nog niet helemaal, maar wel half. Wij waren wel halverwege, maar nog niet half weg, dat was ongeveer het compliment wel. Wat een mens toch kan nadenken over taal. Zeker als je ligt te bekomen. Of bij te komen ? Waarbij dan ? En is dat een terugkeer van gáán ?
Lees meer
We gingen op een vrijdag. Dat was besloten zodat de Opperpater mee zou kunnen. We gingen déze specifieke vrijdag. Dat was omdat de man die telkens het hele land op de kast kan jagen, alleen deze vrijdag zou meekunnen. Allebei de mensen waar de planning al maanden terug op afgestemd was, gingen uiteindelijk niet mee. De Opperpater mocht niet en wou vooral niet. De kastman had hoge belangen te verdedigen die vóór vriendschappen gingen. Wat ik geen van de mensen vooraf vertelde, is dat dit misschien de laatste keer is dat ik zoiets met hen onderneem. Nog één gek, idioot idee. Één memorabele tocht. En dan komt de nieuwe baan in de weg van onze vriendschappelijke bijeenkomsten. Misschien dat ik ze nog eens in een weekend zal zien. Maar zeker niet zoals voorheen, wekelijks. Ik voel het zelf ook: het begin van het einde van mijn tijd in deze stad is aangebroken.
Lees meer
Wanneer enkele vrouwen horen van onze Golden Mile, willen ze dat ook. Althans, ‘ook’. Want dat we stevig gaan zuipen, dat is dan weer niet ‘hun ding’. De dames willen koffietjes. En wijntjes. En fruitsapjes. Maar twaalf cafés hoppen, dat is dan wel weer leuk. Althans, ‘een aantal’. En ‘met terrasjes, toch’. Vraagteken. Ze menen dit. De vrouwen menen dit allemaal uiterst serieus. De dames vragen of ze met ons mee mogen. Natuurlijk niet ! Ze vragen of ze dan zelf een keer mogen gaan. Ik zie daar geen been in. Idealen zijn voor jonge mensen. Als de dames willen, mogen ze gerust met hun pinkje omhoog koffies en fruitsapjes drinken op hun Pink Mile. Maar wij, idiote en dappere mannen, wij gaan voor goud. Wij gaan voor authentiek. Wij gaan de uitdaging aan. Wij, mannen, wij zullen niet rusten voor we omvallen. We gaan lallend ten onder.
Lees meer
Wel in een vrij troosteloos stadje, dat wel. Overal hangen ‘te koop’ bordjes, en naar Belgische standaarden zijn veel gevels hier op standje ‘alles opgegeven’ aan het hangen. En toch is het er leuk. Ik kom er graag. Enkele vrienden zeiden dat ze ook graag eens mee gingen. Dus gaan we met een groep. En aangezien we allemaal van drinken houden, gaan we een kroegentocht doen. Gemodelleerd naar de film The World’s End: een Golden Mile. Oftewel – 12 cafés, 12 bier. Ik heb de toer uitgestippeld. Er is zelfs een mooi routekaartje ontworpen. Met vakjes om de cafés af te vinken. Alsof we de tel kwijt zouden raken. Het gezelschap is illuster. De man die alle WK trauma’s compleet heeft. De man die eindelijk zijn boek af heeft. De man die telkens het hele land op de kast krijgt. Ik. En De Opperpater. Vijf vrienden. Vijf kameraden. Vijf drinkebroeders. Vijf stoere kerels tegen de hele wereld. Met elk een glas in de hand.
Lees meer

Wanneer de Opperpater teveel lawaai maakt, fluit zijn vogeltje. Letterlijk. De Opperpater heeft een vogeltje. In een kooitje. Het vogeltje stoot fluitgeluit uit als een bepaald aantal decibel overstegen wordt. Het vogeltje is namaak. Het is gekocht omdat de benedenburen klaagden over het lawaai. De Opperpater is zelf al niet de stilste man ter wereld. Sommige van zijn gasten zijn nog lawaaieriger. Het vogeltje is er dus om gelazer met de buren te voorkomen.
Lees meer
Ik zwaai wat vaag met mijn mobiel. Natuurlijk heb ik netjes per SMS betaald, maar niet alle buschauffeurs hebben zin om dat te controleren. De chauffeur knikt en lacht. Wanneer hij me ziet worstelen met mijn valies, roept hij, als geschrokken van zijn onhoffelijkheid, dat hij de tweede deur wel even opent. Ik vind dit nu al een fantastische chauffeur. Vind die in Nederland nog maar.
Lees meer
Ontegenzeglijk heb ik wel leuker gedroomd. Het huis krioelt ervan en ik kan me nergens veilig terugtrekken. Geen deur stopt ze. Doorheen het hele huis ben ik op vlucht voor zombies. Ze klauwen en grommen. Het is rete-irritant. Ik roep naar de zombies dat ze me even met rust moeten laten. Dat ik moe van ze word. Of ze niet even zichzelf kunnen vermaken of zo. Er staat bier in de koelkast, roep ik. Geen reactie.
Lees meer
Ik moet u vooraf waarschuwen. Er zit een groot veiligheidslek in dit verhaal. Terwijl u leest, bij elk woord, loopt u een groter en groter risico (en groter en groter) dat het lek overspringt naar u. Wat kan dat voor gevolgen hebben, zou iemand die hier nog niet direct van geschrokken is, zich afvragen. En dat is nog best een goede vraag ook. Dat geef ik dan eerlijk toe. Ja, je kunt beter afdoende geïnformeerd zijn, immers. Ongeïnformeerde angst is een gevaarlijk goedje.
Lees meer