Al talloze keren heb ik me afgevraagd of ik hem niet gewoon zou weggeven. Bijna nooit heb ik hem aan. De gloeilampen zijn ook bijna niet meer te verkrijgen, want die mogen niet meer. En misschien ben ik er ook gewoon een tikje te oud voor inmiddels, zo’n lavalamp.
Maar toch verhuisde hij mee. Naar de zolder van een goede vriend, van waaruit ik mijn volgende sprong voorbereidde. En toen mijn hele leven instortte, naar de sloopwoning waar ik een jaar werkeloos zou gaan zitten te zijn. Dus nu de sloopdatum echt in zicht is en ik weg moet, pak ik het kreng toch maar weer in.
Dat moet natuurlijk voorzichtig. Zeker de lamp-fles is kwetsbaar – glas, was en water. Glas dat makkelijk kapot kan in een verhuizing. Bij de vorige verhuizing had ik de verpakking van de lavalamp weggegooid, dus steek ik de fles in een kussen en vul een heel winkelwagentje met deze kussens. De verhuisvrienden lopen ondertussen af en aan met zware, lompe dingen, en ik plaats voorzichtig een lavalamp tussen een zwik kussens.
Nadat ik even geholpen heb binnenshuis, zie ik in de tuin het winkelwagentje plots leeg zijn. Het busje is volgeladen en rijdt al naar de nieuwe woning. Ik hoop dat de fles niet barst. Dan kan ook meteen het kussen weggegooid worden, en misschien wel andere dingen waar de boel op lekt.
Wanneer de verhuisvrienden terugkeren, vraag ik ze of ze voorzichtig hebben gedaan met de kussens. Gekke blikken. Ik leg uit dat er een lavalampfles tussen zat. Geschrokken blikken. Ik maak uit hun reactie op dat er alvast geen spectaculaire lekkage was, anders wisten ze nu waar het door veroorzaakt was. Ik hoop maar dat de fles ook niet gebarsten is of zo.
Wanneer ik bij het nieuwe huisje arriveer, staat de lavalampfles op de vensterbank. “We hebben hem gevonden,” zegt een van de verhuisvrienden trots. “Hopelijk doet hij het nog !” De fles staat niet heel erg veilig op de vensterbank, maar ik laat het zo.
Later vind ik ook het lampgedeelte in een van de dozen. Ik zet het geheel bovenop een kast. Het huishouden is ontploft. Overal staan planken, dozen, stoelen, tafels, en niets is meer terug te vinden. Maar ik weet alvast waar de lavalamp staat.
Mijn huisgenoot en ik ploeteren de volgende dag flink door. Richting de avond zijn onze slaapkamers en de woonkamer richting leefbaar. Dingen zijn waar ze waarschijnlijk het beste kunnen zijn. Nog niet alle dingen, maar de meeste.
Ik heb de lavalamp voor het laatst bewaard. Ik ga hem voor mijn slaapkamerraam zetten. Even moet ik me voorbij een wasrek wringen. Ik ben benieuwd of de lamp nog werkt. De fles ziet er intact uit. Het stroomsnoer van de lamp blijft hangen achter iets anders. Geïrriteerd pruts ik het snoer los.
En ineens weegt de lamp veel minder. In een fractie van een seconde zet mijn hele lijf zich schrap, in het besef wat er gebeurt.
En dan knalt de fles in een miljard stukken uiteen op de tegelvloer.

