Mijn spiegelbeeld durft me niet aan te kijken. Stil poetsen we onze tanden. Ik probeer me van hem niks aan te trekken. Als hij iets te zeggen heeft, dan hoor ik het wel. Ik maak me drukker over dat de tandpasta bijna op is. Ik twijfel of het de moeite is om nieuwe te halen. Op mijn slaapkamer staan de verhuisdozen opgestapeld en er moeten er nog een aantal vol.
Mijn spiegelbeeld is een rare snuiter. Ten eerste woont hij alleen in de badkamer. Nergens anders in huis zie je ‘m. Wie woont er nu in een badkamer ? Gekkie. En dan staat hij er ook nog eens vaak half naakt, met ongekamd haar. Of met bovenlijf gekleed maar nog geen broek aan. Mijn spiegelbeeld is een slonzige aap. Ik kijk toe hoe de tandpasta op zijn borsthaar spettert. Aan de andere kant van de spiegel merkt hij helemaal niks.
Ik vraag me af hoe vaak mijn spiegelbeeld zijn moeder belt. Waarschijnlijk net zo weinig als ik. En zou hij zijn leven al net zo slecht voor elkaar hebben ? Moet haast wel. Ik weet het niet. Nooit praat ik met mijn spiegelbeeld. Zelfs geen goedemorgen of hallo hoe is het. Geen knikje als erkenning van zijn bestaan. Ik gun dit vreemden wel. Maar mijn spiegelbeeld niet.
Toch jammer. Even vraag ik me af of anderen een betere band met hun spiegelbeeld hebben. Gaat toch eventjes heel je leven met je mee op. De omhoogs en de omlaags, zogezegd. Hij is overal bij. Maar niet de mijne. Die woont enkel in de badkamer en houdt zich overal buiten. Maar goed ook: ik maak er al genoeg een janboel van zonder zijn hulp.

