Sinds elke dagen ben ik veroordeeld tot een nieuwe route naar huis. Mijn werk is de schuldige: dat moet ik, contractueel, doen op een plaats waar ik nooit eerder geweest ben. Er is geen enkele gangbare route huiswaarts vanaf daar te vinden. Alles is nieuw en een beetje eng.
Tweehonderd meter onderweg tref ik een kudde kinderwagenvrouwen. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. De vrouwen eigenlijk ook wel, maar zeker de wagens. Ongetwijfeld is de een een unieke Chicco Urban en de ander een fenomenale Stokke Xplory. Die daar is vast een hyperluxe Maxi-Cosy, of is het een bescheiden Mutsy Igo ? Ik zie het niet. Voor mij is er geen verschil tussen een Bugaboo en een Citi Hopper Duo Antra.
De vrouwen loeien vervaarlijk als ik nader. Mogelijk voelen ze zich bedreigd. De kinderwagens staan in een duchtig beschermde kring opgesteld, de vrouwen vormen de verdedigingslinie. Ik moet rakelings langs hen heen. Ik heb de keuze tussen rakelings langs hen, of me laten scheppen door voorbijrazend autoverkeer.
Ik neig naar het autoverkeer. Met een zo wijd mogelijke boog loop ik om de vrouwen heen, die me strak in de gaten houden. Ik ben bang van de meute. Ik wil niet met baby besmet raken. Het schijnt dat je daar lang mee kunt oplopen. De vrouwen vertrouwen mijn ruime omloop niet. Ze snoeven en trappelen zenuwachtig. Ik ben immers een man, en alleen, dus een roofdier. De vrouwen en de spruiten zijn weerloos tegen mij. Ik ben banger van hen dan zij van mij, maar dat krijg je ze van een klein herfstspinnetje al niet wijsgemaakt.
Ik loop al met één voet op straat. Een razend autowiel rijdt mijn schoen kapot. Ik hinkstapsleep me voort. Maar het was het waard. Ik ben veilig langs de kudde geraakt. En ik heb geen baby opgelopen. Haastig rep ik mij verder. Deze route zal geen gangbare worden.

