Misschien dat ik binnenkort maar het woord auberginekleurig ga gebruiken. Laatst zag ik een andere schrijver het woord auberginekleurig gebruiken, en besefte me daardoor dat ik zelf nooit iets auberginekleurig genoemd heb. Zelfs geen aubergine. Een gemis, in mijn woordenschat: waar anderen auberginekleurig hebben, heb ik een zwart gat.
Al snel werd de auberginekleurigheid een rage. Alles moest en zou auberginekleurig zijn, zelfs al was het geel of groen. Alle stroom werd auberginekleurig. Zakenmannen liepen in auberginekleurige pakken over auberginekleurige straten. De auberginekleurig iPhone vloog de winkels uit. De nieuwe regering werd een auberginekleurige coalitie.
Ik kreeg het woord auberginekleurig ondertussen in geen enkele zin gepast. Wanhopig zat ik op mijn rode bank te staren naar de knipperende cursor. Ik zag het zwart in.

