Ik ben nog steeds te moe. Voor jou, voor jullie. Maar ik dans in het schemer door achterafstraatjes in plaats van in mijn keuken. Mensenschuwe muziek op de oortjes. In een nachtwinkel waar het personeel me goed genoeg kent om me met een knik te groeten, knik ik terug en koop ik frisdrank en een chocoladereep. Volwassen word ik toch nooit.
Ik zou me in het cliché kunnen dompelen. Ergens een tooghoek inpikken en de schim spelen. Of iemands blik terugspelen. Hoe lang ben ik al alleen ? Mag het nog wat langer ? Mijn eigen playlist is erg lekker, ik luister er niet vaak genoeg naar. Dolen, ook zoiets dat beter lukt in mijn eentje.
Dan ga je in een stad wonen om er dwaas zonder mensen in rond te dwalen.
Alleen het idee al van weer in iemands leven inritsen maakt me doodmoe. Ze moeten dat niet meer van me verwachten, dat doen we niet meer mevrouw. Ik ben onder nieuw management.
Ik zie wezens met rokken en vormen naderen en sla vlug af.
Aan de stamtafel zit de Overbierman niet op zijn plek, hij is op reis en zegt daarom maar niets terug. Ik op mijn beurt zweeg toch al, pak een dichtbundel uit het boekenrek dat ik voor dit café maakte omdat in cafés dichtbundels moeten staan vind ik, desnoods die van mij. Ik lees er een van een ander. Zo blijven de mijne intact. En ik heb die al gelezen ook. Drie sterren. Deze is veel beter dan die van mij, wat ik jammer vind. Twee sterren.
Als het zwart lang onbehandeld blijft, tast het je brein aan, las ik ergens. Zou ik nog ooit mijn eigen woorden lezen, boos worden dat ze beter zijn dan die van mij, en een ster aftrekken ? Ik kijk op de achterflap, fuk, dit is er zelfs een van mij. Tweeënhalve ster, vooruit.
Een vrouw kent me nog van ervoor en legt aan haar vriendin uit wat er gebeurd is. Schaapachtig zit ik erbij, ik dooddoener dat het achter ons ligt. Dan nog een vent uit die periode, ogodnee ik wil weg, de buitenRené schudt zijn hand, de binnen schreeuwt.
Ik grijp me vast aan de drempel van mijn drijvend huis en hijs mezelf binnen. Neerploffen op de zetel. Het nietzwart was nog niet rijp genoeg. Stilletjes danst mijn schaduw voort in een uitgestorven straat en de nacht wil maar niet vallen.

