Haaks op mijn kont krabbel ik wat overeind en staar. Ik lig eruit. Dat is nieuw. Ik kijk naar waar ik was. Het moment is nog intact. Daar, in dat moment, daar was ik net nog. Hoe ben ik eruit gevallen ? Nors krabbel ik overeind – mijn knieën worden oud – en betast de tijdwand. Dik, semitransparant maar ondoordringbaar. Binnen is het moment, hier niet.
Maar hier kan ik niet blijven, besluit ik al snel. Eén blik in het rond. Nee. Niks voor mij hier. Terug het moment in. Ik klop, klauw, bons. Rimpels, cirkels, maar meer ook niet. Het moment geeft geen kik. Ik sta even te kijken waar ik eruit gevallen moet zijn. Immers zou ik daar misschien ook terug binnen kunnen. Misschien is het moment verplaatst. De tijd rondom gaat immers maar door.
Ik loop rond het moment. Dat is flink gegroeid. In al die tijd dat ik daarbinnen zat. Het moment is reusachtig. Veel leefruimte, was ook nodig. Aanvankelijk had ik genoeg aan mezelf en het moment. Maar op een bepaald moment kwam er een bank bij. En een tafel, een laptop. Een stopcontact. Schilderijen en foto’s om naar te staren als je even uit het moment dreigt te gaan. Alles om in het moment te blijven. Films, knuffels. Kleurige gordijnen.
Ik duw en mep op de wand, maar overal waar ik het probeer, niks. Ik kijk nog eens achter me. De buitentijd is er nog. Ik hoor mensenstemmen. Dat al zeker niet – wanhopig probeer ik grip op de wand te krijgen, een kier, iets, help. Hoe ik het doe, weet ik niet, maar ik kan me terug het moment in wurmen. Languit op mijn smoel krabbel ik wat overeind en kijk rond. Er zijn dingen verplaatst. En het ruikt hier anders.
Ik loop rond en vraag me af of ik niet in een ander moment ben gekropen. Het lijkt wel goed. Maar het is hier anders. Dat was niet de afspraak. Het moment zou het moment blijven. Ik mopper rond de bank en tafel en nooit, nooit komt het in me op dat het niet het moment is dat veranderd is.

