Pas op, hij ligt klaar hè. Daar. Daar ligt hij. En daarna is het enkel schoenen en jas aan. En dan op de fiets weer op pad. Terug de arbeidsmarkt op. Dat maakt de broek de laatste barrière. Eens ik de broek aan heb, is het tijd. Ben ik op gang. Is het zover. Moet ik wel. Maar ik wil mijn broek nog niet aan.
Dat is super kinderachtig en nu is er vast een leger mindfulnessmongolen dat roept dat dat gevoel er ook mag zijn. Nee, natuurlijk mag dat niet. Ik moet mijn broek aan hè mensen. Vinden jullie uiteindelijk ook. Dus dit is een volstrekt zinloos gevoel. Het ligt ook niet aan het vroege tijdstip. En zeker niet aan waar ik heen ga. Daar is het prima. Het is de broek. Hoe meer ik naar de broek staar, hoe meer die het probleem begint te worden.
De broek sputtert tegen dat hij het probleem niet is. Dat ik projecteer. Ik werp terug tegen dat broeken niet kunnen praten. Hij moet wel, zegt de broek. Niemand komt op voor zijn verdediging. Terecht, schamper ik. Ik ben maar een gebruiksobject, roept de broek. Jij bent het slachtoffer hier niet, roep ik terug. Jij maakt er meer van dan ik ben, roept de broek. Ik ben maar een broek !
Uiteindelijk is mijn koffie op en met een zucht trek ik de broek aan. Tijd om naar zijn pijpen te dansen.

