“En hoe hebben jullie elkaar leren kennen,” is de onvermijdelijke vraag. Hij kijkt er niet geïnteresseerd bij. “Via internet zoals iedereen,” mompel ik. Hij verstaat me niet, dus in mijn hoofd kraak ik mijn knokkels en ga los. Net voor ik mijn keel schraap werpt ze me een schuine zorgelijke blik toe. Ze kent me al een beetje.
“Het begon in 1934, op het strand in een idyllisch zeeplaatsje dat helaas door de tijden gewist is geraakt. Ik droeg een paarse overall, zij was charmant geschminckt als Pierette.” Ze proest in haar cava en begint te hoesten. Maar ze moet leren dat dat mij niet tegenhoudt. Tough love is nu even nodig.
“We bleken een voorliefde voor de doodskreten van zeebaarsen bij exact achtentachtig graden Celsius te delen.” Ongeloofwaardig, vindt ze, want ze houdt niet van vis. “Achtentachtig afgerond dan,” zeg ik. Ze knikt aarzelend. “Ik uit culinaire overwegingen, zij uit pure haat,” verduidelijk ik naar de man. Opnieuw proest ze het uit.
De man kijkt wat in de war naar haar, dan naar mij, hij is het ideale slachtoffer, veel te serieus. Ik geef gas bij: “De pastoor keek ons ongelovig aan toen hij de geloften voorlas in roestig Swahili.” Ze lacht nu hardop, ik ben stapeldol op haar bulderlach.
“Toen we tijdens de huwelijksnacht voor het eerst de liefde bedreven besloten alle wilgen ter wereld spontaan te wenen en ze zijn er nooit meer mee gestopt. Hun wortels grepen de aarde nog steviger vast en trokken zo de latere Grand Canyon open. Een feit dat de Amerikaanse regering angstvallig stil houdt,” bezweer ik hem geheimzinnig. Hij grinnikt zenuwachtig en wil het onderwerp wijzigen. Maar haar ogen kijken hem streng aan, en dan naar mij. Hij vroeg het, nu zal hij het weten ook.
Ik neem een slok bier en vervolg. “Van één van de wilgen werd een contrabas vervaardigd die van vader op zoon uiteindelijk in het orkest belandde dat met de Titanic ijskoud de zeebodem opzocht. Dat bekoelde de boel, maar ons vuur bleef loeiend laaien. Geen buur hield het meer dan drie maanden naast ons vol zonder een zwangerschap.” Ze bloost, drinkt nu stilletjes van haar cava. Ik ben benieuwd wanneer ik de blik krijg dat ik ver erover aan het gaan ben.
Vertederd kijk ik haar terug aan en mijmer: “Toen ze echter eens om sigaretten ging achter een tabakmobiel aan, raakte ik haar vierenzeventig jaar en twee maanden kwijt. Toen belde ze ineens aan als deur-aan-deur visverkoopster.” Ze rolt heftig met haar ogen en grijpt mijn arm.
Terwijl ze me meetrekt roep ik nog naar hem: “Eerst herkende ze me amper. Ik was iets grijzer geworden. Maar toen zag ze de paarse overall,” de man luistert niet meer en zij heeft duidelijk ook liever dat ik deze verhaaltjes in het vervolg gewoon opschrijf.

