Vandaag verleng ik mij in regenstralen. Ik rek mij pijpenstelen. In cirkeltjes plof ik in plasjes van mij. Lang was ik wolk, maar vandaag mag ik vallen van mezelf. De wind raast over mijn huid terwijl ik stort.
Het doet deugd, het water beneden weer op te zoeken. Ik had mijn hoofd wat in de stratosfeer de laatste tijd, maar nu kom ik weer met beide plonzen op de grond. Enthousiast stuiter ik wat op de dingen, de straten, de paraplu’s. Die veren lekker speels mee.
Nog het meest van al ben ik dol op de wezens die door mij bewegen. De honden, de vogels, de mensen. De katten, al krijg ik die moeilijk te pakken. Ik regen ze na en roep psp psp maar ze willen niet. Aparte dieren wel.
De mensen vind ik het machtigst, ze voelen zo fijn als ik ze aanraak. Zacht speel ik liedjes op hun huid, steeds een andere compositie. Bij elk mens maak ik een eigen soundtrack. Ik denk dat sommige liedjes van mij te luid zijn, want regelmatig lijk ik te intens voor ze en vluchten ze van me weg. Maar ik heb allerlei volumes geprobeerd, bij motregen lijkt het dan weer of niemand luistert.
Sowieso twijfel ik heel soms of de mensen luisteren naar de liedjes die ik voor hen, op hen, maak. Op de meesten toch. De klootzakken krijgen niets van mij. Als ik zie dat die buitenkomen, wacht ik nog even met vallen. Laat hen maar kwijnen in droogte.
Alleen de mooie mensen krijgen mijn regen. Ik streel over hun oogleden en zing hun persoonlijke liedjes. Sommigen dansen in mij. Sommigen dansen zelfs voordat ik val. Ik krijg daar altijd zin van om te vallen, als ik ze zo bezig zie. Lekker samen muziek maken. Ik kir bij elk mens dat meestampt in mijn plas.

