De recruiter zegt dat ik een indrukwekkend cv heb. Onmiddellijk krijg ik hoofdpijn want ik weet hoe dit gesprek verdergaat. Hij gaat aandringen dat hij tóch beter passend werk gaat proberen te vinden dat aansluit bij mijn ervaring. Dat is logisch, die jobs betalen beter dus krijgt hij meer commissie. Heel af en toe gaat het zelfs om mij en heeft de recruiter het idee dat hij mij er ook mee helpt. Werk maakt gelukkig, toch ?
De regering wil dat ik geen werkzoekend cijfertje meer ben, geef ik aan. Dus geef me gewoon werk, dan ben ik ook van de ellenlange sollicitatietrajecten af, verzoek ik. De recruiter zucht (dag kwartaalbonus) en vraagt wat ik dan wil doen. Niets, denk ik. De arbeidsmarkt is een achterlijke antieke constructie waar teveel belang aan gehecht wordt die net zoveel aan de economie bijdraagt als papieren rietjes aan het milieu, het is een zoethoudertje voor het volk terwijl de rijksten er miljarden bijgestort krijgen en de loonkloof verder verwijdt. Denk ik, zeg ik niet. Ik haal mijn schouders op en zeg: ik kan eigenlijk alleen dit.
De recruiter lacht: wat, op een stoel zitten ? Ik wijs naar deze letters en herhaal: dit. De recruiter kijkt moeilijk naar waar ik wijs. Ik wijs dan maar naar deze letters en woorden, deze zin. De recruiter begrijpt het niet. De alinea dan, gebaar ik. Of alledrie de alinea’s en de laconieke slotzin ? Zie je ze niet ? De recruiter schudt vertwijfeld en vragend het hoofd en typt zo onopvallend mogelijk iets op het toetsenbord. Ik weet wat hij over me getypt heeft, want ik schrijf dit. De rotzak. Meteen besluit ik niets meer over hem te schrijven, hij verdient het niet.
Ja, zucht ik, op een stoel zitten.

