Waardeloos
onwoordig
bent u uw stad:
weer de loos.
Dan zijn we
sprakeloos
uitgesproken,
ontwaard
Letterlijk
geen knip
voor de neus
Waar de kunst
juist spiegelt
nul reflectie
zelf.
Maar ring
uw city
nog maar
eens
En neem het
er goed van
onder
De kruikenier
wil slechts nog
kleintjes
beletten
Bang voor
een grote pot,
want wat als
zijn wortels ?
De kunst, die mop,
is, na uit de
opknapwijk
ook geweken
uit uw hart
en keihard
schopt u na
dat ze op
mag rotsen
Waar de bek
vol van is
stroomt
de anus
van over
U plant
wel weer
beton
en een
jonge scheut
-kleine wortels-
in de schijt
containers
vol stront,
vol met je
eretitels
Misprijzend
afgeprijsd ?
Bod toch op !
Dit gedicht verscheen in
“Onderop De Stapel Rechts”
De vierde dichtbundel van René van Densen verkent als thema verhuizen, transitie van één situatie naar een andere. Waarbij je altijd dingen kwijtraakt, maar er ook iets nieuws ontstaat, gesymboliseerd door kleine poëziedoosjes die je kunt uitknippen en die een nieuw gedicht vormen, maar waarbij je dan wel zes andere gedichten moet laten verdwijnen. Verdeeld in metaforische ruimtes in een nieuw huis verkent Van Densen wat je wel of niet mee moet nemen.
“Er lopen tig dichters rond in Nederland en Vlaanderen die al blij zouden zijn met de kruimels die van van Densens tafel vallen.” – Anton Voloshin

