Meer dan de helft van de kat van mijn huisgenoot is kaal. Kaal met plukken, toch. Strikt genomen kun je zeggen dat zijn huid nog begroeid is, maar alles is dunbehaard gekrabd en -gelikt. De huid schijnt door zijn haar heen. De kat heeft van zichzelf al redelijk forse schouders en een stevige kop, dus dat zijn achterlijf zo goed als kaal is, ziet er extra potsierlijk uit. Katten hebben weinig zelfreflectie, dus hij trekt zich er niks van aan.
Wel trekt hij zich aan dat de huisgenoot al bijna twee weken niet thuisgekomen is. De huisgenoot heeft een ongeluk gehad en herstelt elders. Ik zorg voor zijn kat en de mijne. En dus ligt nu een kaalgelikte kattenkont in mijn zicht. Want het beest mist knuffels van zijn baas. De kat heeft normaal een hekel aan mij. Maar nu even niet. Want er is geen alternatief. Dus dan volsta ik. Katten zijn trouw als honden, dat is weer te merken.
Mijn eigen kat is kwaad. Wil ook aandacht. Dus zodra ik de kale kat van mijn borst pluk en naar het toilet ga, springt mijn eigen kat op mijn schouders en rijdt mee. Ze gaat kalm zichzelf wassen in mijn nek terwijl ik zit te kakken. Bedaard pak ik een boek uit het leesrek. Zelfs als het een snelle kak zou zijn, zit mijn kat duidelijk erg comfortabel.
Buiten de gesloten toiletdeur miauwt de kale kat klaaglijk. De kale klaaglijk miauwende kat krabt en krioelt. Ik kijk mijn eigen kat aan. Ze kijkt me met een onbestemde blik terug aan. Dan lees ik maar wat verder. Misschien is de volgende bladzijde wel spannend.

