Een gekleurde

Tillywood column door René van DensenGepubliceerd als column in Tillywood #6 / dec 2014

Het houdt niet op, het rumoer. Even weet ik niet waar ik ben. Niet in mijn bed, alvast. Smaak van schraal bier op de tong. Weer teveel gezopen. Voorzichtig tasten mijn vingers in het rond. Hebbes. Mijn bril. En hij is niet kapot. Even rondkijken.

Ik ben in een half vervallen industrieel pand dat wemelt van in vaalbruine T-shirts en vormeloze broeken gehulde jongmensen. Veel dreads. En vettige vlasbaarden. Ze prutsen aan wat schijnbaar kunstwerken moeten zijn, voornamelijk uit restmaterialen geproduceerd. Ik weet, kortom, nog steeds niet waar ik ben. Zou overal in deze stad kunnen zijn.

Verdwaasd loop ik wat over het terrein. Het eerste kunstwerk dat op mijn slenterig pad opduikt, is een enorme sokkel. Bovenop staat een zo onbetekenend mogelijk ogende waterkoker. Er zit zo te zien geen water in. De sokkel zit onder de schreeuwerige kleurpatronen. Ik kijk naar het bordje. Het stuk heet ‘Gekleurd objectief’. Kijk, zo’n grapje kan ik nog wel waarderen.

Maar ik heb dorst, dus laat ik een vervaarlijk met metalen tentakels om zich heen graaiend gedrocht links liggen en ga op zoek naar koffie. Of bier. Desnoods water. De tentoonstelling is duidelijk nog in opbouw; meestal is er dan nog een drankvoorraad aanwezig. Ik scharrel aan een geïmproviseerd tuintafeltje en vind wat Fairtrade koffie. Eerst deze behoefte laven: de kunst wacht wel.

Mijn jas is gelukkig vies, dus ik val niet op. Zo brak ik rustig even wat uit. Wanneer mijn ogen zich weer openen, lijkt de expositie in volle gang. In het veld lopen cultuurambtenaren de kunstwerken én kunstmakers te scouten. Ze steken in hun zondagse pakken scherp af tegen de ruimte, deelnemers en veelvormige afvalkunst.
Er staat een opgewonden man naast de kunstwerken te roepen dat het allemaal nergens op lijkt. In mijn ooghoek zie ik onze Nachtburgemeester op het dranktafeltje afkomen. Hij snuffelt tussen de blikjes bier en ingeschonken bekers wijn. Wanneer hij me ziet, klopt hij me op de schouder. “Was weer leuk, gisteren,” zegt hij op de hem typerende toon, tussen vragend en stellend in. Ik knik, maar ben niet zeker van mijn eigen antwoord. Het was vast wel leuk. Denk ik.

Drie kunstmeisjes huppelen rond en trommelen op zelfgemaakte tamboerijnen. Één kunstjongen springt op een tafel en staat, hard, iedereen wijzend uit te lachen. Drie andere kunstjongeren liggen op uitgerolde grasmatten en zuchten in koor. Een bonte bedoening, kortom. Mij is het allemaal iets te kleurig. Ik glip naar buiten. Daar weet ik niet zeker of de bushalte echt of kunst is. Hij oogt echt.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *