Met een doffe kwakklank plofte de postzak neer. Vermoeide ogen boven halfzwarte wallen zagen deze zoveelste zak gelaten aan. Ze konden niet weten wat voor belangrijke brief er in zat. Ze konden niet bevroeden wat de gevolgen zouden zijn van het bezorgen van deze brief.
Konden ze dat wel, dan zouden ze zich wellicht achter de oren krabben. Dan zou de brief misschien per ongeluk kwijtgemaakt worden. Dan zouden ze wellicht zelf de brief even retour sturen. Geen mens zou deze brief doorlaten als hij wist waar het toe zou leiden.
Maar hier werkten geen mensen. Hier werkte een arbeidersmassa die tezamen, neutraal als een natuurramp, de enorme papiermassa’s doorsluisde naar uiteindelijk de juiste bezorger. Elke brief ging onopgemerkt door hun vingers. Alleen de nieuwen, die keken nog met levendige, nieuwsgierige blikken rond.
Zoals Daniël. Een enthousiaste jongen waar het leven zijn plezier nog aan op kon. Die met een sappige knak vroeg of laat wel gebroken zou worden, maar nu nog meeboog. Daniël voelde zich heerlijk en vrij. Dit moest een droombaan zijn. Nachtwerk, zijn ideaal.
En al die post ! Eerste rang mogen zitten en van dichtbij mogen zien hoe massaal er toch nog altijd per post gecommuniceerd wordt. Gefascineerd keek hij naar alles dat door zijn handen ging. Niet lang, want hij wou ook niet op zijn eerste dag meteen zijn baan al kwijtraken. Maar een snelle, guitige blik was wel het minste.
Sommige post herkende hij direct. Gasrekening. Uitkering. Belastingbrief. Maar ook: verjaardagskaart in envelop. Van klein tot groot. En de bekende bankenveloppen voor overschrijvingen waren blijkbaar ook nog altijd in omloop. Alles moest razendsnel, nu, rap, hop, maar toch snel even raden wat de boodschap was.
De geschreven post was eigenlijk het enige, bedacht hij, dat de NSA niet lui vanachter hun bureau’tjes met eenvoudige zoekopdrachten kon doorspitten. Waar een verkeerd gekozen woord niet direct tot arrestatie en verhoor zou leiden. Wie schrijft, blijft, grinnikte hij stilletjes. Als ze zijn fantasie konden afluisteren, zou Daniël wellicht nu meteen als staatsgevaarlijk beschouwd worden. Maar dat kon vooralsnog geen enkele geheime dienst.
Fantasie bleef oninzichtelijk. Enkel als die uitgesproken of opgeschreven werd. In dat opzicht waren alle schrijvers tegenwoordig potentiële terroristen. Want oeioei, wóórden.
We hebben Daniël helemaal voor niets, vijf alinea’s lang, in de gaten gehouden, want de envelop gaat niet door zijn handen. De envelop gaat door de handen van Dirk, een man met een forse hypotheekschuld en een beginnend drankprobleem. Dirk houdt zijn hoofd nergens bij maar doet al decennia dit werk. Routineus gaat de envelop door naar de juiste bestemming.
En zo wordt iemands lot bezegeld.
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad: Je bent er”
In 2014 bracht René van Densen zijn collectie ZKV’s (of Zeer Korte Verhalen) in een ZDB (of Zeer Dun Boekje) uit dat NZD (Niet Zeer Duur) was. Hierin las je de eerste avonturen van de bewoners van het misschien niet super fictieve stadje Prozacstad, waar de Opperpater altijd stabiel en soepel blijft en een vrouw met een brief in één hand en de rode draad in haar andere, van de eerste tot de laatste pagina het boek doorkruist. Het boekje verscheen slechts in een beperkte oplage (50 ex) in eigen beheer en is allang uitverkocht, maar op Google Play kun je het nog als ebook kopen en lezen. Dan begrijp je misschien ook beter waar het verhaal hierboven op sloeg. Tenzij je het koopt en niet leest, natuurlijk. Dat mag op zich ook prima, ook die centjes zijn gewoon welkom, daar doe ik niet kinderachtig over.

