Een beest waarvan ik blij ben dat die niet bestaat, is de hoempapavogel. Met die ene zin weet ik al bijna zeker dat u, lezer, het met me eens bent. Maar voor de mensen thuis met te weinig voorstellingsvermogen, beeld u een vogeltje in dat carnavaleske schuiftrompetmuziek fluit. ‘s Ochtends vroeg, bij het eerste gloren, vanuit de boom voor uw raam, keihard: Hele grote bloemkolen ! Of wanneer u in uw tuin in de zon even bij wil komen van de noeste arbeid, wetende dat de pensioensleeftijd toch nog altijd een eindje vóór u uit ligt, vanuit de struiken: Mien, waar is mijn feestneus….
Maar wie weet, is er wel een hoempapavogel geweest. Er bestaan wel gekkere beestjes. Dat die bijvoorbeeld in vroeg’re tijden al andere dieren de stuipen op het lijf joeg door plots Ja dat is mooi, mooi, mooi man, te schetteren. Dat van pure schrik hele diersoorten uitstierven. Tot men die lawaaipapagaai beu werd en de klauwen ineen sloeg om het beestje uit de dierenriem te knikkeren. Een echte ster word je toch nooit, met hoempapa. Daar moet je toch wel een zoetgevooisd nachtegaaltje voor zijn. In wélk tijdperk deze schetterlijster rondfladderde, dat laat ik graag aan uw verbeelding over. Wellicht joeg hij hordes dinosauriërs over de vlaktes van Gondwana en Pangaea. Met zijn Weet je wat ik wel zou willen zijn.
Of misschien was het in de ijstijd, of ten tijde van het zinken van Atlantis. Schetterde zijn geschaltrompet over het strijdveld van Napoleon. Gooide het allerlaatste exemplaar, vanuit een kooitje, nog tijdens het zinken van de Titanic even De gròzzie van mèn buurvrouw in de mix, met als gevolg het massaal overboord springen van passagiers. Het meest waarschijnlijk, echter, blijft toch wel dat hij niet bestaan heeft. Een fijn gegeven. Toch mooi in elkaar gezet, die realiteit. Je zou het eens per jaar moeten vieren. Gewoon, een paar dagen lang. Al die hoempapaherrie op loeivolume draaien. Omdat de hoempapavogel niet bestaat. Zo, ik hoop dat ik u een stukje meer inzicht in de cultuur van de carnavalsprovincies heb gegeven.

