Kaftloos

Plek

Een vreemde leegte, een hol vanbin,
vol van holte, groot gemis erin,
een existentnie, een grof verdriet,
een je ne sais qua, het groot rond niet,
een meer vol minder, een les in more,
een plots ontloren, edoch nooit daarvoor,
een wist niet dat nodig, nu weet ik plots wat,
grof overbrodig, ik wou dat ik had,
een losse waarde, een pak het beet,
een verse spijtigheid, een ledig leed.

Kerf mij weg, in graniet,
lijn voor bocht, gevangen verdriet,
letters en cijfers, al dat mij rest,
leg me te rotten, dat lijkt me nu best,
mijn naam slijt in lijnen, maar zelf eb ik weg,
gewoon langzaam verdwijnen, verder niets dan domme pech,
op- af- en uitgeleefd, klaar met creperen,
wormen hollen mijn kop nu uit, niets meer te leren,
een zinnetje moet mij typeren, ach doe eens gek,
hier lig ik en sta niet meer op, maar wel

op een mooie plek.

Klei

Mijn ogen proberen het wel, om de boeken te lezen van schrijvers met belangrijkere namen dan de mijne, die in hoge stapels op mijn toilet liggen, maar de woorden kunnen me volstrekt niet bekoren en zeker Campert vind ik een lul. Die sla ik dus rap over in de verzamelbundel, maar ook andere schrijvers willen er niet in. Dat kan aan mijn vermoeide ogen liggen, of aan het gerommel in mijn maag, dat klatsen boetseerklei oplevert die speels in het water onder mijn billen de eeuwigheid tegemoet plonzen.
Lees meer