Ze komen steeds weer terug, die dagen dat ik wou dat ik nooit een boek had geschreven. Laat staan elf. Momenteel heb ik er elf geschreven. Dat is niet waar. Ik heb er elf uitgebracht, twaalf hele geschreven, één boek is voor tweederde af, één boek voor vijfenzeventig procent, twee boeken voor vijftig procent en één boek voor zes procent. Ik heb net iets minder dan veertieneneenhalf boek geschreven. Lees meer
Er zwellen tranen in mijn ooghoeken op. Van die goeie, stevige biggelaars. Tranen moeten stevig zijn, net als regen. Gelukkig kunnen ooghoeken niet miezeren.
De mensen zien het. Ze zeggen: “Erg he, van Parijs ?” Ik beaam het allemaal maar. Het is heel erg. Mensen die zichzelf en anderen doodmaken om overtuigingen, om ideeën, dat is heel erg. Dat is altijd heel erg. Dat er naast deuren nu schoenen staan die nooit meer gevuld zullen worden, is heel erg. Er worden honden niet uitgelaten, geliefden niet gekust en toekomstplannen niet gesmeed omdat een handvol wanhopige gekken lood op een denkbeeldige vijand wilde afvuren. Lees meer
“Is dat blik houdbaar tot 2099, knikker,” vraagt de Opperpater. Hij kijkt met een vieze blik naar het bierblik. Over zijn lijk, bedoelt hij, dat de Opperpater, godverdomme dé Opperpater, ooit een alcoholvrij bier gaat drinken. De Opperpater drinkt écht bier, knikker, en dat weet je toch verdomme onderhand wel ? Lees meer
Mijn dag begint in de ogen van mijn kat. Intens kijkt ze me aan. Alsof ze de hele nacht en het stukje ochtend tot mijn wekker afgaat, naar mij heeft zitten staren. Geen kik, ook. Een soort onverschillig, maar intens staren, groene spiertjes die een groot zwart gat opentrekken waar ik in weerspiegeld ben. Tien centimeter van mijn gezicht af. Lees meer
Onderweg naar de literaire avond voel ik me een faker. Je bent ongeveer in zoverre een schrijver als dat je recent nog iets geschreven hebt, uiteraard. Net zoals dat je zo populair bent als het aantal likes op je laatste facebook post. Ik pak een biertje van de tafel en zet me op een krukje – in de boekenwinkel zijn alle stoelen al bezet.
We luisteren naar twee schrijvers. Één schuift heel erg een andere naar voren, die daar zelf ook wat van verrast is. Ik noteer een paar dingen in mijn zakboekje die me, al luisterend, binnenvallen. Het zakboekje is weer bijna vol. Ik werk de dingen die erin staan niet voldoende uit de laatste tijd. Het leven zet afwassen, lekke achterbanden en sociale verplichtingen in mijn weg. Ik kan natuurlijk besluiten niet aan het maatschappelijk leven deel te nemen en me volledig aan het schrijven te wijden. Maar wie voedert er dan mijn kat ? Lees meer
Zelfs op mijn minst productieve dagen breekt er wel een punt aan dat ik moet kakken. Daar zit ik dan. Meestal op een weinig comfortabele kunststof donut, wijl het papier aan de wand stil wuift. Ik weet meteen dat het een tijdje gaat duren. Geduldig geef ik me over aan het wachten op de eerste plons. Tot die tijd weet je sowieso niet hoe lang je nog bezig zult zijn.
Ik denk aan het maal waarvan de resten zich nu mijn lichaam uit persen. Het heeft me goed gesmaakt, meen ik me te herinneren. Ik leef minstens nog. Dat heb ik toch maar mooi aan dat maal te danken. Ik mompel zachtjes: Dankjewel, maaltijd. De maaltijd zegt niks terug. Of toch, heel zachtjes prubbelt er iets. Haast heeft het hele boeltje alvast zeker niet. Een duidelijk geval van slow food. Lees meer
Ik snap het wel: er zijn al twee van die openklapplanken overleden omdat ik erop geplast heb. Dus nu heeft het baasje er drie, op drie verschillende plekken in huis. Zo te zien heeft hij er eentje meegenomen, want ik vind er maar twee. Niet dat ik hard aan het zoeken ben, deze dingen kunnen me niet heel veel schelen. Ze zijn lekker warm om op te zitten, vooral die wiebelige toetsenborden. Maar hij heeft er dus twee achtergelaten. Dom mens.
Het is een peulenschil om ze aan te zetten. Deze gaat zelfs aan zodra ik de klep opendoe. Zijn wachtwoord heb ik honderden keren ingevoerd zien worden vanaf zijn schoot. Ik deed alsof ik geconcentreerd mijn staart likte. En al die keren dat ik over het toetsenbord liep, oefende ik mijn type-skillz. Zolang ik niet met mijn volle gewicht op de letters ga staan, zzzzziiieeeett allllllllllessdrf errrrrrr norrrrrrrammmmmmmmmmmmaal uit. Lees meer
Ja maar, zei hij. Maar de gezichten keken onacceptabel. Hij wou nog een jamaar uitspreken, maar ja. Zacht sputterde hij tegen dat hij helemaal niet weg wou. Hij was bang voor de zee, allereerst al. En ook geen ruzie. Niet dat het regime hem zinde. Maar dat kon je wegslikken. Daar was bier voor uitgevonden.
Prozacstad wou hem echt ook niet kwijt, verzekerden ze hem. Maar ja. Hij zat met zijn huis op het midden. En een historische locatie moet voor het nageslacht bewaard worden. Jamaar, sputterde hij nog maar eens. Al zijn spullen lagen in dit huis. Zelfs wat herinneringen. De Prozacstedelingen waren onvermurwbaar. Lees meer
Ik staar naar het plafond terwijl ongetwijfeld een mijt of mug of vlo me leegzuigt. Mijn kat spint op schoot. Je wil in feite enkel van een drol echt weten hoe die gemaakt is. Al de rest, elk ander ding, is leuker in je verbeelding. Lees meer
Het kilgele koelkastlicht spat in mijn gezicht. Slaperig zoek ik even, maar ik kan toch echt maar drie soorten vinden. Met vermoeide nijlpaardogen spied ik over het aanrecht, maar daar ligt ook geen vierde soort kaas. Met mijn vingers woel ik wakkerdronken door mijn haardos. Lees meer