De vingers
beroeren
de snaren
en met
een intense blik
kijkt hij rechtstreeks
de ziel van zijn publiek in.
Met alle noten
op zijn zang
beroert hij
zijn luistervee.
De klankkast
ronkt
in zijn armen
Zijn aderen
gieren
en al zingend
borrelt zijn
laatste pintje
terug omhoog
in zijn keel.
Och,
denkt hij
mismoedig
terwijl het allemaal
oncontroleerbaar
uit de hand loopt.
Ik wou toch
altijd al
een artiest zijn
met de moed
om op zijn publiek
te kotsen.
Er klinkt geen applaus.
Tijdens de lockdown leest dichter René van Densen elke dag een gedicht voor uit zijn dichtbundels. In navolging van Gert Vanlerberghe’s Balkonnenvrees heeft hij deze reeks Keukenvrees gedoopt. Op deze manier kunnen blinden en slechtzienden ook wat van zijn poëzie meekrijgen en hebben het bijkomende voordeel dat ze René zelf niet kunnen zien. De bofferds.
Dit gedicht verscheen in
“U Mag Mij Wegstemmen”
In een reeks dichtbundels moet er altijd één het debuut zijn, en René van Densen besloot meteen van wal te steken met een titel die ironisch en zelfrelativerend is. Het is niet eens zijn dichtbundel maar een duo-dichtbundel samen met Bob ‘Bobadas’ Minne, die met zijn zevende dichtbundel al fors de diepgang in ging. De afbeeldingen op beide kaften tonen dan ook de stationstrap in Roosendaal – tussen Gent en Tilburg de halfweghalte – waar Bobadas’ kaft van boven naar beneden ‘kijkt’ en Van Densen’s kaft van onderaan naar boven.
Maar René had al een flink arsenaal aan podiumteksten en daar zitten achteraf nog best een paar aardige teksten bij, die de tand des tijds aardig doorstonden.

