De dag is er om van te genieten. Dat heb ik ook gedaan. Onverwacht kwam een goede vriend – wat zeg ik, een pennebroeder – langs. De zon bakte de herfst bruin en we blaakten in volle teugen. Biertje, paar peuken, vrolijkheid en vergeten zorgen. Vlinders die fladderen alsof het pas lente is. Het is een dag dat ik niet rouwig ben dat ik niet aan een bureau onder TL-licht zit te zwoegen. En als alles toch vroeg of laat naar de kloten gaat, heb ik er niks van gemerkt. We hebben zo weinig dagen voor ze op zijn, dus een goeie mag tellen voor tien.
Dan volgt, zo goed als onvermijdelijk, de nacht. De stralendblauwe lucht verwarmt nu dichters en lanterfanters aan de andere kant van de planeet. Ik hou van de nacht, meer dan van de dag. Maar vanavond is hij heel stil. Een goed teken. Zo af en toe is de dag beter dan de nacht zal zijn. Het is zeldzaam, en waard om bij stil te staan. Ik lig stil op bed en staar naar mijn plafond. Wat moet je met zo’n verbleekte nacht ? Er zoemt een mug, maar dat vergeef ik haar. Tegen me aangekruld ligt mijn poes te spinnen. Ik wil niet bewegen. Dus drink mijn bloed, medeplaneetbewoner. De jeuk mag. Voor een keertje.
Ik vraag me stil af hoeveel dagen ik nog mag zien. Fijn dat we dat niet vooraf weten. Het zou druk zetten op de invulling ervan, en dat kunnen we zelf al prima af zonder deadline. Ook de komende dagen heb ik weer zat aan mijn kop. Ik wil het nu nog even stil houden, maar de toekomst kruipt alweer binnen. Morgen dat ene, en dat andere, en vooral niet vergeten te, enzovoorts. Geïrriteerd probeer ik de voorbije dag terug op mijn huid en in mijn hoofd te voelen. Maar het lukt niet meer. Mijn kat draait zich om en legt zich met haar rug naar mij toe. Ik zucht en klik het licht aan. Zo dan maar wat slapen, en dan weer een nieuwe dag aanvangen. Even die mug zoeken.

