Waarom, waaróm ben ik hierheen gekomen ? Ik haat deze plek. In feite ben ik nog liever dood dan dat ik hier ben. En het is zo verschrikkelijk druk. Ik sterf van de hitte, van al die lijven. Niet over nadenken. Niet over dat die hitte cumulatieve lichaamswarmte is, met vettige en zweterige huiden, compleet met meeëters en eventueel besmettelijke ziektes, compleet met jeukerige…. Juist, niet over nadenken zei ik al, slimpie. Wat maakt het uit wat voor ongedierte er misschien tussen die talg en dat zweet aan het smullen is ?
Het is ook echt niet leuk. De vorige spreker was aardig, en er komen er nog wel een paar die ik eigenlijk ook wil horen. Althans, wil, wil. In feite zou ik nu een Renévormig gat in de muur willen vluchten. Ik zit verdomme te rillen en beven als een rietje. Dit gaat niet oke. Al zeker elf maanden niet zo’n heftige terugval gehad. Ademen, jongeman. En adem tellen. Rustig worden. Niet denken aan de onrust in je kop en hart, gewoon de adem voor de geest halen. Jezus, ik heb hartkloppingen en al. Ook is er geen porie waar op dit moment geen angstzweet uitbarst. Niks proberen te laten merken. Anders krijg je weer lastige vragen. Het duurt niet lang meer. Althans, hoe lang duurt het nog ?
Vooruit, trek jezelf even terug in jezelf. Maak van jezelf een cocon voor je ziel. Niet om iets anders te worden, maar om je even veilig te verstoppen. Om te krimpen. In een enorme Renéjas. Miniscuul word ik. Even stoppen de hartkloppingen en poriën. Het duurt niet lang. De cocon faalt. Ik zit terug in mijn eigen jas, zonder mezelf vol te kunnen houden. Ik snak naar wat buitenlucht, naar een beetje adem. Het is zo allejezus druk hier ook. En ik haat deze plek.

