Net. Mijn kop is net weer prettig stroperig aan het worden en mijn ogen beginnen samen te plakken. Ik hoopte nog dat ze het op zou geven. Natuurlijk niet, daar is ze weer. Ze zoemt rond mijn oor, instinctief sla ik op mijn kussen. Paniekerige zoem, nog eens over mijn oor. Nog een slag. Stilte. Even. Ik probeer me te ontspannen. Langzaam zak ik weg in het zwart. En dan, bijna – nee, verdomme. Is ze wéér ! Om gek van te worden. Boos klik ik het licht aan. “Hou eens op,” mompel ik slaperig.
Ik kijk rond. Natuurlijk nergens te bekennen. Haar soort en ik spelen dit spelletje al heel mijn leven. Ik zou haar nu redelijk snel en makkelijk kunnen vinden maar dat houdt opstaan, ogen uitwrijven, activiteit in, en ik wil verdomme gewoon slapen. Ik ben doodop. “Laat me minimaal even in slaap vallen, daarna kun je al mijn bloed opzuigen,” mompel ik. “Maar laat me gewoon slápen.” Ik kijk nog één keer rond. Niks. Met een zucht klik ik het licht uit en kruip terug onder de dekens.
Het gaat even goed. Daar zak ik weer weg. Dwars door het bed heen, het verlossend moeras in. Op naar mooie breinbeelden, zalige soes, op naar godverrrrrrdddd hongerig zoemt ze wederom langs mijn oor. Wanhopig sla ik nog een paar keer om me heen, maar na enkele seconden zoemt ze alwéér. Ze heeft honger. En ze heeft pech. Ik klik het licht aan en ga rechtop zitten. Mijn nachtrust is heilig. Ik verklaar een jihad aan deze mug. Traag rek ik me uit, pak een tijdschrift van mijn nachtkastje en glijd uit bed. Ik zal haar hebben. Met haar gezoem.

