Er zijn van die dagen dat je als een luchtballon door het blauwwit zou willen dobberen. Alles liever dan wachten tot andere mensen de dingen die ze afspreken, nakomen. Jij bent er. Zoals afgesproken. De telefoon ligt binnen handbereik. En ook dat ene pakketje mag vandaag best afgeleverd worden. Maar er gebeurt mooi niks. En je hebt ook nog andere afspraken met jezelf na te komen, dus dat kan je best sjacherijnig stemmen. Dan is het prachtig als je naar dat blauwwit staart en denkt: was ik maar gewoon een ballon.
Die dromerige bui is snel voorbij als ik kokende koffie op mijn borstkas mors. Dat doen luchtballonnen immers niet. Ik kijk weer naar mijn scherm. De teksten moeten echt af. Ik heb vrijwel compleet wat ik aanstaande zaterdag voor live publiek ga doen. Ik ga uit van een kwartier. Dan krijg ik een mail. Ik ben één van twee dichters die avond. Dat is opvallend weinig. Ik kijk naar het schema. Ik en de andere dichter hebben samen een uur. Het zweet breekt me uit. Dit was zo niet afgesproken. Ik heb nog nooit een half uur moeten vullen. En weer, weer schiet kalmerend onmiddellijk door mijn kop: was ik maar een luchtballon.
Mijmerend dobber ik. Door warm en koud blauw. Met comfortabele warme lucht in mij geblazen. Er bungelt een mandje onder me, maar dat mag. Voor de rest hoef ik niet veel te doen. Door mijn pure zijn zweef ik. Ik kan stijgen en dalen, maar de mensen in het mandje beheersen dat. Ik hoef zelf niks te doen. Enkel warm van binnen te zijn. En te zweven.

