Ik zit op mijn knieën naast de kattebak. Mijn kat zit ernaast. Ze houdt haar kopje scheef, en kwispelt, steeds wanneer ik zo naast haar zit. Afvragend. Ik haal een schepje met zeeflijntjes door het kattezand. Zo schep ik haar ontlasting eruit. De drolletjes zijn vaak al een beetje uitgedroogd en hard. Heel soms vind ik er een die ik de keren daarvoor gemist heb, ze zijn dan al een beetje versteend geraakt, vanwege het absorberende zand, dat al het vocht opzuigt.
De kattepis vormt hierdoor grote klonten. Alsof iemand een kattezandbal heeft gemaakt, die hij hier had klaarliggen voor een kattezandballengevecht. Het weegt behoorlijk zwaar. Die drolletjes wegen niks, daar is alle vocht al uit. Ik schep, zeef en gooi wat overblijft in de vuilniszak. De kat blijft scheefkijken. Ik vind veel deze avond. Ze heeft goed haar best gedaan.
Het is niet de leukste kant van het hebben van een kat, dit klusje, maar het hoort er bij. Om het vol te houden beeld ik me vaak in dat ik naar goud op zoek ben. Het zou niet verkeerd zijn om goud te vinden. Ik ben onderweg naar onzekere tijden, in deze crisisbange arbeidsmarkt. Goud, zomaar in de kattenbak gevonden, kan nog van pas komen: al zou het maar een beetje zijn.
En dan vind ik plots goud. Nee, echt, ik geloofde het zelf ook niet meteen. Knipperend kijk ik naar het schepje: het is een flinke klomp. In de kenmerkende vorm die kattedrolletjes hebben. Ik staar mijn kat aan. Ze heeft nog altijd haar kopje scheef en snapt nergens iets van.
Ik kijk weer naar het goud. Oei. Zo heb je ineens waar je om vroeg.
En nu ? Ik wenste natuurlijk niet daadwerkelijk goud. Ik was gewoon aan het klagen. Klagen zorgt dat je de zware tijden doorkomt. Opeens de reden voor je klagen kwijt raken, is een beetje ontnuchterend. Nou weet ik hoe vrouwen zich voelen wanneer mannen hun problemen willen oplossen.
De klomp goud ziet er wat vies uit. Er kleven kleine stukjes kattepoep en kattezand aan. Ik maak mezelf wijs dat het nog een hele klus gaat zijn daar een mooi, toonbaar stukje goud van te maken.
En ik vraag me af of mijn kat dit geproduceerd heeft. Moet haast wel. Er is geen enkel ander levend wezen in huis geweest vandaag. En al helemaal niet op de kattebak. Potver. Dus ben ik binnenkort niet meer de broodwinner, maar de kat. Ik moet even aan dit idee wennen. Onmiddellijk twijfel ik of ik het beest wel graag in die rol zie. Ik schrijf wel in mijn verhaaltjes dat ze heel lief voor me is, maar de minste hoeveelheid macht zal ongetwijfeld snel naar haar kop stijgen.
Zo zit ik daar met goud in mijn kattenbakschepje en denk voort. Nee, hoe meer ik erover nadenk, hoe slechter het is voor mijn kat, om dit soort macht in het huishouden te krijgen. Daar raakt haar persoonlijkheid van verrot. Ze kan beter beschermd worden tegen dit kwaad. Ik kijk nog één keer naar het klompje goud. Het schittert in het licht van de spaarlamp.
Dan vliegt het de vuilniszak in, de kattedrollen achterna.
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad: Je bent er”
In 2014 bracht René van Densen zijn collectie ZKV’s (of Zeer Korte Verhalen) in een ZDB (of Zeer Dun Boekje) uit dat NZD (Niet Zeer Duur) was. Hierin las je de eerste avonturen van de bewoners van het misschien niet super fictieve stadje Prozacstad, waar de Opperpater altijd stabiel en soepel blijft en een vrouw met een brief in één hand en de rode draad in haar andere, van de eerste tot de laatste pagina het boek doorkruist. Het boekje verscheen slechts in een beperkte oplage (50 ex) in eigen beheer en is allang uitverkocht, maar op Google Play kun je het nog als ebook kopen en lezen. Dan begrijp je misschien ook beter waar het verhaal hierboven op sloeg. Tenzij je het koopt en niet leest, natuurlijk. Dat mag op zich ook prima, ook die centjes zijn gewoon welkom, daar doe ik niet kinderachtig over.

