Plots begint mijn hand naar mijzelf te zwaaien. Verbaasd kijk ik ernaar. Hij steekt mijn duim op, als om aan te geven dat alles goed komt. En dan voel ik het. Ik word gecomanifesteerd. Oh nee he.
Ik voel meteen dat zij het is. Superlief, dat wel. Ze weet dat het de zwaardere dagen zijn en wil blijkbaar een stukje voor me tillen. Veel ruimte om tegen te sputteren heb ik niet, want kordaat pakt ze de teugels. Dat gaat aanvankelijk makkelijk, want ze zit in de functionele laag, en lijkt zelf ook verbaasd hoe eenvoudig alles is. Dan voelt ze het teer.
Ik zie en voel het aan mijn bewegingen, de plotse frustratie. Alles plakt, remt af, alles zinkt. Ik beweeg wat wanhopiger. Mijn hoofd draait en kijkt mij aan in de spiegel. Ik heb grote, geschokte ogen en dan moeten de Zwarte Stemmen nog komen. Ze houdt het nog tien minuten vol en dan voel ik dat ik weer alle controle terug heb.
Ze wou per se in persoon afspreken maar durft me niet aan te kijken. Vingers frommelen wat met dingen. Ik weet ook niets te zeggen, ik bedoel. Ik vertel er niet voor niets liever niet over. Al erg genoeg. Ze kijkt me uiteindelijk toch aan, tranen springen in haar ogen. Ze slaat haar hand voor de mond en staat plots op en loopt weg. Ik kijk haar na, ze kijkt niet meer om. Dan word ik wakker en vloek.
Ik wrijf in mijn ogen en zie slaperig dat ze me een blije “Hey” heeft gestuurd, gevolgd door een bericht dat vraagt hoe ik me voel. Ja, hoe leg je dat dan weer uit.

