Het is geen slecht open podium, maar eigenlijk is het te warm. Gelukkig spelen alle jongens en meisjes muziek en hangt er een losse sfeer. Poëzie zou nu misschien iets teveel gevraagd zijn. Eén jongen roept tegen zijn maten trots dat ze het straks wel zullen horen, hij heeft de ganse zomer geoefend en gaat hen wegblazen, wacht maar.
Er staat een jongeman op het podium bedremmeld op zijn gitaar te tokkelen. Hij speelt een cover uit, weet ik het, Italië, Spanje ? Het zal vast lokaal een heel bekend nummer zijn, maar ik kan hem slecht verstaan eigenlijk, hij zingt net te zacht. Dan horen we het plots beter. En… tweestemmig ? Hoofden draaien om, en de roepende jongen van daarstraks is het nummer aan het meespelen en meezingen. Met een woedende blik op zijn gezicht.
Het was het nummer dat hij ingestudeerd had. Maar met z’n twee klinkt het eigenlijk supergoed. De kerel op het podium speelt ook verrast door. Dan stopt de jongen in het publiek met spelen en stopt zijn gitaar in z’n koffer.
Hij staat met zijn armen wijd, bozig te roepen dat hij wel zal gaan, het gras is immers voor zijn voeten weggemaaid. Maar wij roepen dat ze moeten samenspelen. Toedeledokie, zegt de jongen, ik ben hier weg, fijne avond nog allemaal. Maar het totale publiek blijft roepen dat ze het samen moeten spelen, dat klonk keigoed.
Hij twijfelt, laat zich half overtuigen en kijkt de jongen op het podiumpje aan. Die haalt zijn schouders op en staat ervoor open. Nu pas zien we dat hun truien sterk op elkaar lijken, en hun kapsels eigenlijk ook. Ach, gitaarjongetjes, dat heb je wel eens. Hij stapt erbij en ze prutsen even zoekende wat aan hun snaren om te bedenken hoe ze zullen herstarten.
Twee meisjes hebben zich bij hen gevoegd. Ze moesten blijkbaar hierna ook nog optreden en hebben trompetten bij zich. Aangezien ze het liedje al gehoord hebben, spelen ze een prachtige, trage, tragische Mexicaanse intro. Ik zit op het puntje van mijn stoel. Nu gaat het echt goed worden, ik voel het. De jongens vallen in met hun gitaar en kijken elkaar verrast aan, het samenspel begint goed. Ze grijnzen en beginnen naar het publiek te zingen.
En dan gaat de wekker. Ik word knalrood, sorry iedereen, en reik naar mijn jas, mijn tafel, mijn binnenzak, hij zit niet in mijn jas want ik lig hier naast de tafel, ik gebaar naar de wekker dat hij stil moet zijn want nu wordt het goed, gris hem van de tafel en zet hem af.
Ik wil omdraaien om de rest te zien maar het hoeft niet. Natuurlijk is het allemaal weg en lig ik op de bank onder een deken. En natuurlijk had de vroege wekker vandaag eigenlijk uit moeten staan. Ik moet over anderhalf uur pas weg. Ik staar naar het plafond en vervloek de arbeidsmarkt.

