Stop hier, alsjeblieft, ik moet er echt uit. Ik overdrijf niet, ik ben misselijk en kan niet meer verder, zorg dat we stoppen of doe de deur open. Als we niet kunnen stoppen spring ik er wel uit, ik kan echt niet meer verder, stop alsjeblieft met rijden.
Of vliegen we, of is dit een trein, het doet er niet toe, maar stop, ik voel me misselijk, nee niet draaierig, nee ik ga niet kotsen, ik voel me zoals wanneer je te ziek bent om te kotsen, zoals je je voelt nadat je suikerspin én de gal erna hebt uitgebraakt, ik ben een soort gallig kapot, ik heb brol in mijn krop. Anders kan ik het niet uitleggen. Ik heb echt geprobeerd het vol te houden, maar het boek dat ik lees is stom, de film op het schermpje is verschrikkelijk slecht, en ik kan gewoon echt niet meer verder.
Nee mama, ik wil geen snoepje uit het dashboard, geen zoethoudertjes meer, die maken me nog misselijker. Alsof mijn speeksel silikonenkit is geworden, of stopverf. Ik voel me alsof je nu nog enkel met mij kan kleien, maar iets anders vang je met mij niet meer aan. Kijk in je achteruitspiegel, zie hoe ik platlig op de achterbank, help mij, ik ben niet aan het jokken, we moeten stoppen.
Elke meter verder op dit asfalt wordt het erger. De andere mensen in de andere auto’s kan ik niet meer zien, dit weer kan ik niet meer aan, nee ik moet niet plassen, ik moet eruit. Waarom werken mijn woorden niet, ik zeg toch stop, je blijft maar rijden. Je blijft maar rijden en rijden en rijden en ik lig hier en als je echt van me hield opende je nu de deur. Niks over vijftien kilometer is er een tankstation. Ik kan geen vijftien kilometer meer.

