
Bezie de huizen
als tenten, barakken
kwetsbaar, wankel
tijdelijk vergankelijk
Bezie de straten
als paden, loopgraven
vergraafbaar, te verbuigen
weer een straatplan in duigen
De etalages als kampen
de snackbars als rampen
de draaideur als barricade
Bezie de planeet
als maar een wereld
met maar een mensheid
en wie weet wat dán
Maar ik bezie jouw lach
en zeg je
Dat je tanden kunnen vergaan en
je mond schrompel kan rimpelen en
je ogen in kunnen vallen en
zelfs jij er niet meer zou kunnen zijn
maar die lach,
die overleeft, wellicht
zelfs mij.
Dit gedicht verscheen in
“Onderop De Stapel Rechts”
De vierde dichtbundel van René van Densen verkent als thema verhuizen, transitie van één situatie naar een andere. Waarbij je altijd dingen kwijtraakt, maar er ook iets nieuws ontstaat, gesymboliseerd door kleine poëziedoosjes die je kunt uitknippen en die een nieuw gedicht vormen, maar waarbij je dan wel zes andere gedichten moet laten verdwijnen. Verdeeld in metaforische ruimtes in een nieuw huis verkent Van Densen wat je wel of niet mee moet nemen.
“Er lopen tig dichters rond in Nederland en Vlaanderen die al blij zouden zijn met de kruimels die van van Densens tafel vallen.” – Anton Voloshin

