Haar eerste rapport. Het was onleesbaar. Maar ze was zo trots, haar dochter. En moederlief kwam er met de ingevulde cijfers alvast wel uit. Haar dochter was een genie, dat stond buiten kijf ! En altijd zo vrolijk. En creatief, ongelooflijk creatief. Voor haarzelf was het leven te zwaar geweest om creatief te blijven. Maar in haar jeugd, in dat andere land, dat land dat ze eeuwigheden niet meer gezien had, meende ze zich te herinneren, creatief te zijn geweest. Ooit. Haar dochter had het beslist van haar.

Nee, ze zal niet huilen. Ze gaat vechten. En eerst vluchten. Van die verschrikkelijke mannen. Hoe durven ze. Ze is linea recta naar huis gegaan, nadat ze begreep wat er in de onleesbare brief stond. Haar vriendin vertaalde het helder en geduldig, maar met een welbespraakt droevige blik in haar ogen. Ze had de strekking al in die blik gelezen, voordat de vertaling halverwege was. En al begreep ze nu wat elk laatste woord op het papier betekende, de brief bleef onleesbaar.

Naast haar barkruk, in een plastic boodschappentas, haar schamele bezittingen. Het meeste was ze kwijtgeraakt toen ze bij hem wegging. Het was kiezen of delen. De spullen of de klappen. Zodra ze ging, wist ze dat ze niet meer terug kon. Maar vastberaden zocht ze hulp, en haar vriendin hielp haar die te vinden. Het was niet makkelijk. Maar ze mocht haar dochter blijven bezoeken. En er werd onderdak gevonden.

De roestige ketel heeft ze ook meegenomen. Het merendeel van haar andere bezittingen werd bij aankomst in het huis door de bewoners gestolen. Geen idee wie. Iedereen hield zich zoveel mogelijk afzijdig. Ze liet het zo. De voorzieningen in huis waren net genoeg om mee te bestaan. Dat ze maar veel plezier zouden hebben van de gestolen spullen. God zou ze wel straffen. Maar nu gunde ze hen alleszins de ketel niet.

Die stomme, roestige ketel.

Verdomme, daar komt hij tóch. Die stekende aankondiging in haar ooghoeken. Water welde. Ze klemde vastberaden het woord ‘nee’ tussen haar tanden en prutste in haar portemonnee. Haar rafelige handschoenen visten wat kleingeld tevoorschijn. Losse draden bleven achter de ritssluiting hangen. Onbelangrijk. De minste zorg die ze nu had, was of haar vingers komende nacht koud zouden zijn.

Ze lachte zo stralend, haar dochter. En toen ineens niet meer. Rond die tijd waren ook de klappen begonnen. Daardoor zag ze het eerst niet gebeuren. Maar ineens viel het haar op. En de klappen deerden haar onmiddellijk een stuk minder. Het bezorgde moederinstinct ving de meppen op. Wat deed hij met haar dochter ? Ze sprankelde altijd zo !

Daarna, de vele onleesbare brieven terwijl ze de minuten telde in het huis, tot ze haar dochter weer mocht opzoeken. De boze mannen die beweerden dat niet haar man, maar zijzelf gek was. En zelfs dat ze niet langer moeder van haar eigen dochter kon zijn. Woedend had ze zich verzet, vriendin aan haar zij. Het was háár dochter, hoe zou ze ooit niét haar dochter kunnen zijn ?

Ze wenkt de barman om nog een glas en staart naar buiten. Mond grimmig. De onleesbare brief wou haar weg van hier hebben. Voorgoed. Zonder haar dochter. Haar dochter, die moest blijven bij die, die… Nee. Nee, nee, nee. Ze zouden haar niet vinden. Ze zou gaan vechten voor haar dochter. Dat wist ze zeker.

Buiten begon een vroege winterbui aan onverwachte sneeuwvlokken.

Share Button

Door Rene van Densen

Schrijver, dichter en mafkees René van Densen publiceert niet alleen op internet. Er zijn ook boekjes van hem te koop in zeer gelimiteerde oplagen (en hij doet niet aan tweede drukken).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *