Ik weet niet eens wat er gebeurd is, maar ik zit alles weer te lijmen. Schijnbaar is het poëzie-evenement van dit weekend (inclusief vanavond) in gevaar. Lees ik vóór ik kan vertrekken. Mensen in onmin. Altijd goed. Maar daarnaast nog is mijn bril verbogen en bekrast. Ik ben mijn hoed kwijt. Mijn fietshandschoenen zijn er maar half: links, om precies te zijn. Kortom: het is duidelijk weer vrijdag.
Er zit een barst in mijn bestaan. Er zit altijd een barst in mijn bestaan. Iets dat niet klopt. En als alles even klopt, dan drink ik tot het niet meer klopt. Tot ik in een situatie als deze wakker word en er dingen gelijmd moeten worden. Barsten gefixed. Want dat moeten ze. Altijd. Zo is het leven.
Ik zou soms tegen het leven willen tegenwerpen dat ik maar een groot kind ben. Dat ik liever een lolly had en een aai over de bol. En iemand die op me let als ik idioot doe. Maar dat alles heb ik niet. Ik heb een barst in mijn bril. En ik ben mijn hoed en één fietshandschoen kwijt. En ik reis misschien wel puur voor mijn eigen lol naar Gent, als dat stomme festival niet doorgaat. Dat is eigenlijk het enige mooie bij dit opstaan. Want de poëziefestivals mogen van mij allemaal barsten.

