René leest voor

Loco

Ongeduldig wacht ik op een zonovergoten perron. Ik ontvlucht mijn thuisprovincie. Van binnenuit wordt die provincie veroverd door drank, trompetgeluiden en melige seksuele innuendo. Ik ben een te subtiele en lieve jongen om me aan andermans schouders vast te klampen. Het fijne is: weg van mijn stad zijn alle treinen stil. Iedereen stroomt toé, niet weg.
Het is zelfs zo stil dat halverwege de reis het enkel ik en de machinist nog maar zijn. Hij roept om of er iemand in de trein is. Ik loop naar een conducteurstelefoon en antwoord hem. Al snel hebben we een leuk gesprek. Hij wou vroeger racecoureur worden. Ik wou stuntman worden.
Ergens middenin een zonovergoten weiland staat een reeks coupés stil. Vijftig kilometer verderop zoeven we met de locomotief over de rails. Lachend en gillend. De dag van ons leven.

Schandvlek

De godganse dag lig ik op de bank mijn eigen schandvlek op de maatschappij te zijn. Dat vergt inspanning. Zowel dat vlek zijn als het liggen. Liggen is verdomd lastiger dan het klinkt, de hele dag. Zo moet je echt bijtijds verliggen in een andere houding. Anders gaat alles pijn doen. Nooit doorliggen. Ook probeert de natuur van tijd tot tijd je tot opstaan te manen. Niet naar luisteren. Je kunt het best nog een tijdje ophouden. Als je écht niet wil, kun je heel lang een pijnlijke blaas tolereren.
Lees meer