Ik zit tegenover een ijverig schrijver. Zelf heb ik vooral zin in bier, maar de ijverig schrijver wil praten over zijn boek. Natuurlijk wil hij praten over zijn boek: het is net verschenen. Echt net. Eerder deze week. De schrijver laat trots zijn boek zien. We zijn in een café: normaal de plek waar je niet je kinderen komt tonen, maar je geesteskind is natuurlijk wel toegestaan.
Ik mag niet klagen want ik kom zelf ook altijd met dingen naar dit café. Dan weer een boekje, dan weer een petje. Mijn vrienden zijn al helemaal armgekocht. Daardoor incasseert mijn schrijversvriend maar een beetje geld. Iedereen is geroofd door mij. Schrijvers onderling, en zeker van terrasverkoopniveau, zouden kavels met elkander moeten afspreken, schiet het door mijn kop.
Mijn vriend heeft een enorm boek volgeschreven. Het weegt ruim een kilo. Het is zo groot als een baksteen. Mogelijk zelfs twee. Ik weet niet hoe groot een baksteen is: ik ben geen metselaar. Ik schrijf boekjes vol. Net als mijn vriend. Hij zegt dat dit pas de eerste baksteen is.
Mijn schrijversvriend fantaseert dat hij de ene baksteenbundel na de andere vol kan schrijven. Moeiteloos. Hoe dikker hoe liever. En als ik dan gedichten aan hem lever, vult hij aan, omdat ik die zo makkelijk schrijf, voegt hij toe, dan hè, laat hij even in het ongewisse terwijl hij een enthousiaste slok van zijn bier neemt, dan vermaalt hij die tot pulp. Zeker je twééde bundel, zegt hij kirrend. Dit grapje is voor de kenners.
En die pulp, zo ziet hij het voor zich, die maak ik tot cement. En zo mets ik een huis van literatuur en vermalen poëzie. Dankzij jouw en mijn oeuvre zal daar een prachtige vrouw kunnen wonen, beweert mijn schrijversvriend. Ik versier haar wel, roept hij stellig. En jij, met je kat, kunt er ook wonen. Maar alleen als we flink doorschrijven. Jij het cement, en ik de baksteen.
Mijn schrijversvriend kijkt me verbaasd aan: ik ben nog steeds niet aan het schrijven. Zijn idee is nochtans al twee minuten oud.

