Meestal blijf ik er ver bij weg, maar zo af en toe, wellicht uit masochistische neigingen, moet ik toch een blik in de beerput werpen. Het is een fascinerend verschijnsel, zo’n beerput. De lucht alleen al die in je gezicht slaat, is nergens mee te vergelijken. Heel warm, vooral. Je huid tintelt. Toch voelt iedere laatste porie dat dit geen gezonde zeebries is.
In de beerput spartelen mensen. Ooit heb ik me wel eens afgevraagd of ik de mensen uit de beerput moest helpen. Maar de mensen zijn graag in de beerput. De beerput is hun hele leven. Ze gooien handenvol stront naar elkaar, en heffen daarna wanhopig hun armen ten hemel en roepen op hoge toon dat iedereen hén moet hebben. En dan pakken ze weer wat stront en wordt er nog een keer gegooid.
Soms ga ik er wel eens bij zitten en trek ik een biertje open. Een sigaret durf ik niet aan te steken. De beerput is licht ontvlambaar. Het zou zonde zijn om de beerput in lichterlaaie te zetten: waar moeten de beerputmensen dan heen ?
Toch heeft het iets tragisch. De beerputmensen menen echt dat de beerput hun totale universum is. Je kunt ze niet van iets anders overtuigen. De mest die ze smijten, en de kak die ze ontvangen, dat hun wereld. Zo zit de wereld in elkaar. Alles is bruin en stinkt en er dient mee gegooid te worden.
Ik ben snel afgeleid. Er is maar één voorbijfladderend vlindertje nodig en ik loop alweer weg van de beerput. Volgens mij hebben de beerputmensen mij ook helemaal niet nodig. Ik betwijfel zelfs of ze verschil merken tussen of ik naar hun faecalisch feestje kijk, of niet. Zonder mij gaat het ook allemaal gewoon door.
De vlinder volgend, kom ik niet zelden uit op een zonovergoten terras, waar ik vrienden tref. We lachen en praten over de luchtige dingen in het leven. Meestal ben ik de beerput in luttele seconden alweer vergeten.


Dank voor het compliment !
zo zo zo zo zo zo zo goed (ik ben normaal wat eloquenter, maar iets zinnigers komt er nu niet uit 😉