De Opperpater drinkt uit zijn blik. “Ik ben verliefd, knikker,” stelt hij. Ik hef mijn eigen blik en feliciteer hem. “Ja, knikker,” zegt hij en drinkt. “Ze eet elke dag bij het minima-restaurant.”
Ik laat de Opperpater graag praten. Bij de Opperpater is het nooit nodig om te vragen om informatie, die komt er vroeg of laat wel uit. “Ze is vierenzeventig, knikker,” vult hij direct aan. Ik ben een tikje verbaasd. Niet dat de beschrijvingen van de andere vriendinnen van de Opperpater verrassende topmodellen schetsten, maar toch.
“Ze is zo broos,” zegt de Opperpater. “ik heb echt een zwak voor vierenzeventigjarige vrouwen. Ze zei tegen mij, ik ben vierenzeventig. Ik zei: mijn moeder is bijna tien jaar ouder. Meteen zei zij dat ze hoopte die leeftijd nog te halen. Ik zei bijna: en mijn moeder ziet er wel even veel beter uit dan jij, maar dat heb ik toch maar niet hardop gezegd.”
Maar je bent wel echt verliefd dus, vraag ik. “Jazeker, knikker,” zegt de Opperpater terwijl hij een blik verkreukelt. “Tegen dat zij honderd is, ben ik vierenzeventig.” Ik grap dat hij dan een jong vrouwtje van zijn eigen huidige leeftijd kan scoren. De Opperpater lacht.
“Maandag ga ik vragen of ik haar mag knuffelen,” zegt de Opperpater. Hij staat op om zijn met zijn hand platgeknepen halveliterblik weg te gooien. “Moet er nog iemand bier ?”
Dit ZKV verscheen in
“Prozacstad 2: Het houdt niet op”
Tien jaar na het eerste deel van Prozacstad, dat niet speciaal supergoed verkocht en geen rimpels veroorzaakte, vond René van Densen het ineens nodig om een vervolg te publiceren, en er zelfs twee keer zoveel verhalen in te steken. Niemand vroeg daarom, het kwam er toch. Nieuwe avonturen met de Opperpater en andere kleurrijke karakters in het stadje Prozacstad dat eerder een way of life is (alhoewel) dan een fysieke plaats.

