Ze trekt haar vriendin door de menigte. Is het wel haar vriendin, ze zal straks met heilige overtuiging volhouden dat het haar was, dat ze haar aan het redden was, dat het niet haar schuld was dat zij ineens ergens anders was, zij deed haar best om samen te blijven in deze mensenzee. Joelende kerels, de een nog irritanter dan de ander, maar naar een paar kijkt ze toch even want stel je voor, dat lichaam zo, dat is toch prachtig, als je daarmee zou mogen spelen even, hij heeft een lief ziet ze maar ja boeien, ze knijpt in de arm van haar vriendin in de hoop dat die het ook heeft gezien en trekt die weer verder naar het terras toe, maar dan moet ze even het steegje daar in en wel heel rap want ze voelt het komen.
Terwijl ze kotst, is ze kwaad op haar vriendin dat die niet even haar haar terughoudt, maar voorzichtig houdt ze alles bij haar kapsel weg, dat toch met deze temperatuur in een staart zit, alleen niet zo heel goed meer. Ze draait zich om en veegt haar mond af maar ze heeft helemaal haar vriendins arm niet vast, het is een of andere kerel, die wat lacherig staat te wankelen en die ook niet echt lijkt te weten waar hij is. En dan staat ze daar ineens mee te zoenen, blijkbaar, merkt ze ineens, en of zij het nu geïnitieerd heeft of hij, dat weet ze niet echt meer, hij zoent wel oke maar kan beter en wat is die vieze kotssmaak, oh ja dat is ze zelf. Ze duwt hem van haar weg, hij wankelt wat tegen de muur, en ze verdwijnt weer de menigte in.
De beats grijpen haar wel terwijl ze zich baant, en met de armen in de lucht joelt ze dansend of tenminste hoppend door deze dansvloer, alles is nu dansvloer, niks doet er meer toe en ze laat het allemaal los, het is ook niet belangrijk, alleen die bas in haar beenderen en haar hart, het dreunt en ze schudt haar hoofd heen en weer. Zijn het vreemden tegen wiens lichamen ze staat te dansen of kent ze hen, ze weet het niet, en geeft zich volledig over aan het moment. Tot het lied op z’n einde loopt en ze dorst heeft, direct glipt ze weer de mensenzee in, zwemmend op zoek naar iets te drinken.
Ze plopt zich neer bij de eerste groep die ze herkent, ze wist niet eens dat zij hier ook waren, maar luid pakt ze het gesprek, en slaat haar armen om één van hen heen, glijdt op haar schoot en roept dat het zo geweldig is vanavond en dat we dit vaker moeten doen. Handig grijpt ze een van de vele glazen bier op de tafel en slaat die ineens achterover met een kleine kokhals. Dan gilt ze dat dit haar liedje is en haast zich de menigte terug in, voordat het haar rondje zou zijn, haar vriendin heeft hun geld en waar is die. Ook wij raken haar kwijt tussen de lichamen, was zij dat daar nou, of is ze daarheen, of – armen, benen, gezichten, zelfs geluid lijkt zich in de weg te dringen en voorgoed is ze weg. Stil hopen we dan maar dat ze haar vriendin nog heeft kunnen vinden.


