Aandachtig bekijkt hij de ademteug. Keert hem om. Past hem even op zijn ene neusgat. Dan het andere. Draait hem nog eens om en prutst eraan. “Hmm,” zegt hij.
De Natuur staat er braaf en gedienstig bij te wachten, terwijl hij met de ademteug op een tafelblad klopt. Zijn vingers tasten de teug af, blijkbaar op zoek naar een groef: “Kan-ie ook open ?” vraagt de cliënt. De Natuur kijkt hem een beetje schaapachtig aan: “Dat denk ik niet, meneer.” De cliënt doet een stap achteruit, zakt door de knieën en knijpt zijn ogen bijeen terwijl hij nog eens secuur het oppervlak van de ademteug inspecteert. Dan prutst hij een smartphone uit zijn zak en begint te bellen.
De Natuur probeert zich wat met zichzelf bezig te houden terwijl hij wacht. Flarden van het gesprek dat de cliënt voert, zweven zijn ene oor in, andere oor uit. “Is de laatste,” hoort hij vaag. “Idee of het een goeie is, dat weten ze hier ook niet,” ook. De man staat met zijn rug naar hem toegekeerd en de ademteug begint een beetje te rollen. De Natuur kijkt gelaten toe terwijl de teug op de grond valt. De cliënt pakt verstoord de teug op, stoft er wat vuil af en kijkt naar de verse deuk, dan naar de Natuur, alsof hij nu wel een stevige korting verwacht he meneertje. Eindelijk hangt hij op, en vraagt, met de gebutste ademteug in de hand, of de Natuur deze echt niet nog in een ander kleurtje heeft. “Antraciet, liefst,” bromt de cliënt. De Natuur zegt dat dit de laatste ademteug is. Waarop de smartphone weer tevoorschijn komt en de man opnieuw begint te bellen.
Nog eventjes, denkt de Natuur. Dan ben ik van hem af en keert de rust terug. Hij wacht geduldig.

