Te weinig

Verhaal door René van DensenIk vind
te weinig
vind ik
soms

Het leven is al raar
en zwaar, onklaar,
het is toch waar
maar net waar
ik nu
zwalk, of zwelg, ik
vind te weinig

Ik vind
te veel
op mijn pad,
overal wat,
in mijn weg, woorden
of pakjes niets, een
juist ontweken fiets

Ik droom de mooie
wereld wat door en
hoor heus wel

dat u er wat
van vindt

Ik vind
te weinig
of is dat
wel zo ?

Is zo’n mening
niet een trucje ?
Om te tonen dat je
er wat van vond,
dat je vindbaar bent,
klassificeerbaar,
dat je ergens bij vind ?

Ik vind daar
niet veel aan

Als een kind
klad ik
wat briefjes vol en
lees het soms zelfs terug,
verrast wat ik
erin vind, dat ik
toch nog iets
gevonden heb –

maar altijd
vind ik er
te weinig van.

I am done writing poetry.

Verhaal door René van DensenI am done
writing how I feel
so when you feel it
you won’t feel alone

I am done with
the misery
of feeling devistatingly
alone so you can have
pretty words

I am done suffering
can I now be happy
at a beach
reading a poetry book
about someone else suffering

I am done
You fucking do it
you also have
the words.

Beloofd

Verhaal door René van DensenEr was me longkanker beloofd, bedenk ik me rokend in de zon. Oh ja, en huid. Ze liegen maar wat raak, ook over vertrektijden. De trein is in velden noch wegen.
Ze beloofden me vanalles. Dat de tijd sneller zou gaan naarmate je ouder wordt. Vliegende auto’s. Wereldvrede. Dat we lang samen zouden blijven. Dat deze regering er nu echt iets aan ging doen.
Dat het nog ooit goed zou komen.

Paar

Verhaal door René van DensenIn een te lang bericht vind ik mijn helderheid. Een ander leren kennen. Nog niet zeker waar het toe leidt. Maar ze wil het wel beleven.
Ik rook op het terras in de regen. Een paar vreemde, wel mooie ogen priemen even naar me. Ik negeer het. Staar naar de regenstriemen.
Weer iets dat voor niets blijkt, daar ben ik nog niet. Volgende paar misschien. Of dronken armen die me vast wel weer vinden.
’s Nachts huil ik wat. De kat komt miauwen en mijn gezicht likken.
Ik kijk in haar ogen.

Poëzie in de Assels


Op Halfweg 2 te Gent, net achter het Halfwegpark, ligt een kleine woongemeenschap genaamd De Assels. Die doen tijdens de Gentse Feesten een paar keer gewoon iets zelf, daar. Want het is daar gezelliger en kleiner en fijner dan in het centrum momenteel. En dus doen ze vanavond ook iets met poëzie. Met mij erbij, en Sven De Swerts en Loeke Vanhoutteghem. Die laatste twee zijn supergoed dus het is toch de moeite. En ik ben voor het eerst weer eens live in de legerjas te zien. ’t Begint ergens rond 19u.

Ekster

Verhaal door René van DensenMijn lief zegt dat haar zoontje ooit stellig zei dat chips ook belangrijk zijn. Hij vindt chips nog steeds belangrijk. Ze vertelt nog meer mooie verhaaltjes over haar zoontje met een lieve gloed in haar ogen. Ik zeg dat ze mooie verhalen vertelt en ze zou moeten opschrijven. Ze lacht en ik zie dat ze dit niet gaat doen. Even vraag ik me af of ik haar verhaaltjes anders niet zou moeten opschrijven. Schrijvers zijn eksters. Zelf heb ik alleen collega’s om over te vertellen. Ik zit nog ver van mijn pensioen. Haar zoontje is zeven en superschattig. Het is nu of nooit. Maar we knuffelen op de zetel. Dat is ook belangrijk.

Ze zegt dat ik de ideale matras ben. Zacht en warm en ik kan mezelf gewoon met haar mee overal heen verplaatsen. Ik zeg dat zij, dat wij, ja zijn. Op het plafond projecteert de zon plots het woord “ja”. Het universum moet de fantasie altijd even een loef afsteken.

Ze gaat haar zoontje van school halen. Ik zie mezelf in haar spiegel. Ik zie een gelukkig lachende, mooie matras met blije ogen. Ik leg me terug op haar zetel maar zonder haar is het toch anders. Er staat geen “ja” meer op het plafond. Ik schrijf het allemaal op. Schrijvers zijn eksters.

Key buddy

Verhaal door René van DensenIk kijk verstoord naar de deurmat wanneer ik mijn fiets binnenrijd. Het is bloedwarm buiten, zweet stort zich van alle windloze richtingen mijn lijf af en er ligt een briefje van de postbezorger. Dat ik niet thuis was. Mijn pakketje is drie deuren verderop afgeleverd. Ik verwacht geen pakketje. Geërgerd zet ik mijn fiets in de hal, gooi er mijn rugzak naast, gris het papiertje en loop de deur uit. Dan meteen het pakketje maar ophalen. Ik trek de deur dicht en denk shiiiiiiiiiiii-

Door het raam zie ik de sleutelbos uit het fietsslot bengelen. Daar sta ik dan. De deur is duidelijk in het slot. Er zijn geen grote ramen open waar ik door binnen kan klauteren. Binnen hoor ik de kat miauwen. Ik krab even op het achterhoofd. Gelukkig heb ik een key buddy vlakbij wonen. Ik grabbel mijn gsm uit de broekzak en stuur hem een bericht of hij thuis is. In de ongenadige zon sjok ik naar zijn deur. Sissend verdampt het zweetspoor achter me. Ik vervloek mezelf om dat stomme buitensluiten. Maar goed. We kunnen het oplossen.

Mijn key buddy roept vanuit het raam op de derde vloer dat het veel te warm is om naar beneden te lopen. Hij kan ook de sleutel omlaag gooien, zegt hij. Ik gebaar dat dat ook goed is en zet me schrap. In gedachten zie ik de sleutel onder een bus schuiven of in een waterput kukelen. Gelukkig komt er geen bus en zijn alle waterputten nu gewoon nog putten. En de sleutels belanden ineens recht in mijn handen. Ik zwaai er triomfantelijk even mee en dank mijn key buddy. En dan weer terugsjokken. Ik kan mijn huis weer in.

Onderweg bel ik aan bij de buren. Ze geven me het pakketje mee. Ik open de deur, pluk mijn eigen sleutels uit de fiets, stort me heftig bezweet op de zetel (zwetel ?) terwijl mijn kat rondjes miauwt. Na wat uitpuffen open ik het pakket. Het bevat de nieuwe reserve voordeursleutel die ik had besteld.