De dichter gaat zitten in het spotlicht
En ziet de ironie daarvan niet in
Met een serieus gezicht staart hij de zaal in
Met een grimmige dronkenlap-kop kijk ik terug
Ik weet wat hij me gaat geven:
Hoofdpijn.
Maar gelukkig.
Het is van het tijdelijke soort.
Hij slaat de bundel die hij reeds de hele avond met zich meedroeg
Met een kaft, ontsierd door zijn naam
uitgegeven door een uitgever die enkel smaak heeft in subsidies
Open op vooraf, in een illusie van diepzinnigheid gekozen pagina
En gemarkeerd met een post-it
Één van vele, zie ik reeds, terwijl ik een vieze smaak krijg in mijn mond.
Hij haalt adem. In mijn hoofd duurt het een eeuwigheid.
Ik wou dat hij lucht tot zich zou nemen tot hij als een niet langer
Elastische ballon uit elkaar zou knappen. Maar helaas.
Brol. Brol rolt van zijn lippen. Willekeurig gekozen taalverkrachtingen
Van het soort dat domme meisjes doet duizelen.
Met een stalen gezicht en zonder zelfs interne humor
Kraamt hij klinkklare onzin uit. En denkt hij dat hij zijn publiek roert.
Ik wil een dartpijl naar hem smijten.
Geen zwaar, scherp wapen. Dat is hij niet waard.
Spoedig is dit weer over en kan ik ongestoord door drinken.
Een zwaar wapen moet je werpen naar dodelijke vijanden
Of mooie vrouwen in de zomer.
Een dartpijl is het enige dat een dichter verdient.
Prikkend, dwars door de bubbel van prententieuziteit die hun voordrachten omringt.
Ik heb geen dartpijl om te werpen. Enkel het woord brol.
Ik roep het, luidkeels. Het publiek kijkt eerst verbaasd geschrokken.
Maar dan begint het te lachen. Blij dat iemand het zegt.
Beseffend dat zij dit niet als enige dachten. Brol.
Brol is textuurloos, geurloos, reukloos. Het heeft de durf niet om
Te stinken zoals stront. Kleverig en vies sijpelt het tussen je vingers
Door. De tiende cirkel van de hel bestaat uit pure brol maar de duivel
Zelf weet dat niet eens, want hij kan het niet zien.
Daar gaan alle dichters heen na hun dood.
Verzuipend in kleurloze vergetelheid.
God, wij spreken elkaar niet vaak, ik weet het.
Enkel wanneer ik het met uw werk oneens ben.
Maar alsjeblieft – maak alle dichters blind
Zodat zij de meisjes niet meer zien.
Hiermee verlost u hen, de meisjes en de hele mensheid
uit hun lijden.
Tijdens de lockdown leest dichter René van Densen elke dag een gedicht voor uit zijn dichtbundels. In navolging van Gert Vanlerberghe’s Balkonnenvrees heeft hij deze reeks Keukenvrees gedoopt. Op deze manier kunnen blinden en slechtzienden ook wat van zijn poëzie meekrijgen en hebben het bijkomende voordeel dat ze René zelf niet kunnen zien. De bofferds.
Dit gedicht verscheen in
“U Mag Mij Wegstemmen”
In een reeks dichtbundels moet er altijd één het debuut zijn, en René van Densen besloot meteen van wal te steken met een titel die ironisch en zelfrelativerend is. Het is niet eens zijn dichtbundel maar een duo-dichtbundel samen met Bob ‘Bobadas’ Minne, die met zijn zevende dichtbundel al fors de diepgang in ging. De afbeeldingen op beide kaften tonen dan ook de stationstrap in Roosendaal – tussen Gent en Tilburg de halfweghalte – waar Bobadas’ kaft van boven naar beneden ‘kijkt’ en Van Densen’s kaft van onderaan naar boven.
Maar René had al een flink arsenaal aan podiumteksten en daar zitten achteraf nog best een paar aardige teksten bij, die de tand des tijds aardig doorstonden.

