René leest voor

Warm

Het is zo warm dat de woorden smelten. Dus zit een groep schrijvers samen in een achtertuin. Normaal staan ze graag in de aandacht, maar vandaag gaat het om de schaduw. Met argusogen zien ze de schaduw krimpen en weten dat ze er vroeg of laat om zullen moeten vechten. Maar nu is er nog net plek genoeg.

De schrijvers eten stilletjes friet. Ik ben een van de schrijvers. We schrijven in onze boeken over elkaar. Behalve één van ons, maar zijn boek is dan ook nog niet gepubliceerd. Dat krijg je ervan. Hij krijgt de meeste frieten op zijn bord want schrijvers zijn solidaire mensen.
Lees meer

Devotion

Vanavond ben ik bij de nieuwe locatie van Club P., wat nu wéér een andere naam heeft maar nog steeds gewoon bier zuipen en film kijken bij de Opperpater thuis is. Ik heb het adres eindelijk gevonden. Eerste keer dat dat lukte.

De Opperpater heeft een nieuwe verloofde, zegt hij. Hij laat een foto zien van een jonge dame met mooie make-up. Ze is één van zijn drie nieuwe verloofden zegt de Opperpater. Toevallig zijn het allemaal strippers in de lokale paaldansclub. Wat een toeval, zeg ik. Ik vraag of ze elkaar kennen. Dat weet de Opperpater niet.
Lees meer

Plaksnor

Nu de mensen boos zijn op iemand die elke dag internetfilmpjes plaatst en iets doms heeft gezegd, zie ik mijn kans om aan hen te ontsnappen. Het kan ze niet veel schelen, ze schreeuwen moord en brand om de internetfilmpjespersoon. Vooral degenen die nooit internetfilmpjes kijken. De Opperpater maakt zich stil uit de voeten, zegt dat hij me straks wel op het terras ziet. “Dorst, knikker.”

Ondanks alles wil ik niet het risico lopen herkend te worden. Ik vermom mezelf met een snor uit een budgetwinkel. In Prozacstad wemelt het van de budgetwinkels. Er zijn ook heel veel babyoutlets. Ik merk aan de hoeveelheden mensen met baby’s op straat dat die blijkbaar in de aanbieding zijn. Kan nooit veel kosten, zo’n kind. Ik plak de snor op mijn snor en ben vermomd.
Lees meer

Meute

Ik kijk uit het treinraam. Over een aantal minuten arriveer ik in Prozacstad. Ik woon er al enige tijd niet meer, maar reis nu toch terug. Ik ben in een andere stad gaan wonen, in een ander land. Wel ging ik gewoon door met verhaaltjes schrijven over Prozacstad. Tien jaar geleden publiceerde ik zelfs een boekje met die kortverhalen. Iedereen stond erin. Ook de Opperpater, maar die was als enige niet boos. De Opperpater is bijna nooit boos. De Opperpater vindt het prima wat ik over hem schrijf en gaat stabiel en soepel door met zijn leven.

De mensen in de coupé staren als verlamde koeien uit het raam. Het is niet onprettig dat ze hun monden open hebben. Vandaag is een toevallig warme dag en in de coupé tocht het nu flink. De geur neem je er dan maar bij. Een krakende luidspreker kondigt onze aankomst aan. Pr. Z. St. We zijn er dus. Ik pak mijn zakken en roltrap het station uit.
Lees meer