Nog in het duister gaat de wekker aan. De hele dag door gaan er dingen doorlopend aan, en dan weer uit. De waterkoker klikt aan, en als het water klaar is voor koffie, klikt hij uit. Beschaafde mensen doen ‘s ochtends hun kleren aan, en ‘s avonds weer uit. De vuilnisbak moet deze ochtend aan de straat. Vanavond moet hij de straat weer uit. Structuur is een lastig euvel om mee te leren leven.
Mijn woning ligt vol oplaadbare batterijen en andere dingen die steeds weer aan het stroom moeten. Ik vergeet ze er altijd uit te halen. Hetzelfde met mijn telefoon en mijn laptop en zo kan ik er nog wel meer bedenken. Levensgevaarlijk, al die oplaadbare shit aan mijn huishoudelijke kwaliteiten overlaten. Zodra de vuilnisbak aan straat staat, ren ik terug in mijn woning. Ik ben mijn muziekspeelding vergeten. Dat had ik nochtans speciaal aan de kant gelegd. Ik weet niet meer waarom. Maakt niet uit.
Geld nodig. Prutsen bij de automaat. Ik neem mijn pas uit en mijn geld aan. Ook mijn treinpas moet ik eerst aanpiepen. Ik zie dat ik hem te vroeg aanpiep. Dus piep ik hem weer uit. Ik moet wachten. Op een bepaald tijdstip kost het me minder geld om aan te piepen. Dan nog maar een koffie. Ik loop bij mijn vaste koffieadres aan en even later loop ik er weer uit. We houden ons wel bezig, denk ik terwijl ik de koffiedampen koelblaas.
In de trein zie ik een conducteur aankomen. Direct breekt mij het zweet uit. Heb ik mijn pas wel aangepiept ? Ik kijk hem niet aan, maar voor me uit. Probeer niets te laten merken. Conducteurs kunnen angst ruiken. Hij loopt me voorbij. Op mijn bestemming rep ik me de trein uit.
De zon komt ondertussen onverstoorbaar op. Een of andere onverlaat laat dat kreng de hele dag aan. De zon gaat niet uit. Om er toch maar een structuur aan te geven, mag zij de aarde rond verlichten. Lekker rondjes maken, op, onder. Het is ook een soort aan en uit.
Mijn brein wil nog steeds niet aan. Muziek dus, dat is helder. Koptelefoontjes in mijn oren. Het muziekdingesding wil niet aan. Hij blijft uit. Niet opgeladen. Stom. Daarom lag hij aan de kant, natuurlijk.
Een man voor mij loopt aan de linkerkant van de stoep voor hem, rechts voor mij. Ik loop ook rechts. Hij wijkt niet, ik wijk ook niet. We belanden in stilstand tegenover elkaar. Gevangen in onze structuren. De man kijkt mij aan. Ik kijk hem uit. Uren later gaat de zon onbekommerd weer onder.

