Er is geen onrealistische kans dat ik iets van jou vind, zelfs al ken ik je helemaal niet. Maar daar ga je op die openingszin na niets van merken. Ik doe namelijk erg mijn best om niet te vinden, en als ik al iets vind, dan er vooral zo weinig mogelijk uiting aan te geven. Ik zoek namelijk niet meer, en wie niet zoekt moet ook niet zo van het vinden zijn, vind ik, denk ik, misschien. Dus als ik inderdaad al iets van jou en van dat ene dat jij constant loopt te doen, vind, dan zul je nooit ontdekken dat ik daar iets van vind. Maar er zijn uitzonderingen. Vind ik.
Naast me in de kroeg staat ineens zo’n vent waar ik wel heel erg iets van vind. Dat heeft hij bijna afgedwongen, dus het is verdiend. Ik ga hem wel niet zeggen wat ik van hem vind, maar ik laat het in lichaamstaal duidelijk merken. Hij is me geen blik waardig, en als hij zoals nu aan dezelfde tafel komt leunen, ga ik met een geïrriteerde en veel te passief agressieve zucht (vind ik, ik mag wel dingen van mezelf vinden, hallo, vind er gerust het uwe van, maar ik vind zeker dat ik zelf volledig vindoffer hoor te zijn) weg. Wat stom, dat woord weg, zo na die hele uitwijding tussen haakjes, dit is eigenlijk echt heel slecht geschreven allemaal. En dan heb ik het ook nog ingesproken zonder één correctie te plegen, hè. Ik ben volledig medeplichtig aan mezelf en deze tekst. Maar goed, hij hier, ik weg, kort samengevat. Hij schuift aan op nieuwe plek waar ik sta, ik weer weg. Met zo mogelijk een nóg meer overdreven zucht (echt, die zuchten, daar moet ik eens op gaan letten want ze zijn erover, vind ik) van ergernis.
Het amuseert de man blijkbaar, want hij schuift ook op de nieuwe plek doodleuk aan. Ik weer met weer een zucht weg, nu naar buiten. Kutvent volgt. Ik naar de toog, kutvent volgt, ik betaal mijn rekening, kutvent ook. Godverdomme man, neem de hint eens. Ik het café uit, hij doodleuk mee. Ik steek de straat over en sla af, hij volgt. Ik versnel mijn pas, hij ook. En zúchten dat ik godverdomme doe, maar ho maar dat hij zich weg laat zuchten. Ik open mijn deur en ga mijn huis binnen, en die godverdommese kutvent loopt doodleuk ook binnen, wat is dat nu. Uiteindelijk zitten we dan maar op mijn bank. Ik kook wat en ongevraagd schept hij ook zijn bord vol. Later liggen we in mijn bed, maar zo kan ik niet slapen hoor. Ik probeer zo stilletjes mogelijk de trap af te gaan, maar op de wc is het alweer raak. Plagend kijkt hij me aan vanachter de spiegel. Ik zucht verschrikkelijk, maar écht verschrikkelijk (vind ik), diep.

