Ik vraag of hij nog weet waarom ik ooit ben begonnen aan die poëzie. Hij stopt met mijn bundel doorbladeren en zegt dat hij niet eens weet wie ik ben, meneer. Dat puntje moet ik hem dan gunnen, maar het is geen wedstrijd. Ik ken hem immers ook niet.
De presentatrice heeft schandalig veel boventanden en extra onderkinnen voor haar wijn. Ze lacht en is duidelijk ingehuurd voor de gezelligheid. Tafel na tafel gaat ze langs met een draadloze microfoon en een vlotte babbel. Elke dichter moet een gedicht opzeggen. Zo kan ze even een slok drinken en weer door. Ze lijkt op een ex die ook van haar wijn hield.
Ik zoek op of ik niet beter al naar de trein vertrek. Ik zit al naast de uitgang. Maar het voelt onbeleefd om nu al in te pakken. Mijn rolkoffer jeukt onder de tafel.

